Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land, plaats, in 1864 de conferentiën over het Sleeswijk-Holsteinsche vraagstuk. Den 27sten Juli 1866 werd de vesting door de Pruisen gebombardeerd.

Wurzen, een stad in het Saksisch arrondissement Leipzig, ligt aan de Mulde en aan eenige spoorwegen. Zij bezit 3 Protestantsche kerken, een Katholieke kerk, een oud slot, een gymnasium, een landbouwschool, een handelsschool, een rechtbank enz. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 17 212. Zij houden zich voornamelijk bezig met nijverheid, inzonderheid met de vervaardiging van biscuits, behangsels, tapijten, karton, sigaren, voorwerpen van leer, papier en metaal, meubels, touw, schoenen enz.; verder vindt men er een ijzergieterij, een ketelsmederij, een chemische stoomwolwaschinrichting, bierbrouwerijen enz. Wurzen werd gesticht door de Sorbische Wenden en komt reeds vroeg als stad voor. In 1114 stichtte Herwig, bisschop_ van Meiszen, er een stift, dat bij de Hervorming Protestantsch werd, waarop het stift Meiszen met Wurzen in 1581 verviel aan het keurvorstendom Saksen. In 1542 was Wurzen het tooneel van den zoogenaamdenj[Fladenkrieg. In den Dertigjarigen Oorlog werd de stad in 1637 en in 1643 geplunderd en grootendeels verbrand.

Wüstenfeld, Ferdinand, een Duitsch taalgeleerde, geboren den 31Bten Juli 1808 te Hannoversch Münden, studeerde te Göttingen en te Berlijn in de Oostersche talen en wetenschappen en vestigde zich in 1832 als privaatdocent te Göttingen. In 1836 werd hij assessor der philosofische faculteit, in 1838 ambtenaar aan de universiteitsbibliotheek, in 1842 buitengewoon en in 1856 gewoon hoogleeraar. In 1889 gaf hij zijn betrekking aan de bibliotheek op. Hij overleed te Münden den 89ten Februari 1899. Door het uitgeven en bewerken van belangrijke Arabische geschriften heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt, zooals die van Ilm Challikan en Ibn Hischam. Verder schreef hij: „Die Akademien der Araber und ihre Lehre" (1837), „Geschichte der arabischen Arzte und Naturforscher" (1840), „Genealogische Tabellen der arabischen Stamme und Familien" (1852), „Vergleichungstabellen der mohammedischen und christlichen Zeitrechnung" (1854), „Die Statthalter von Aegypten" (1875), „Die Uebersetzungen arabischer Werke in das Lateinische" (1877), „Das Heerwesen der Mohammedaner" (1880), „Geschiclite der Fatimiden" (1881), „Die Gescliichteschreiber der Araber" (1882), „lemen im 11 Jahrhundert und die Kriege der Türken"(1885), „Fachr-ed-din, der Drusenfürst" (1886), „Der Imam el-SchSfi'i, seine Schuier und Anhanger" (3 dln., 1890—1891) en „Geschichte der Türken" (1899). Een aantal van deze werken zijn verschenen in de verslagen van de Gesellschaft der Wissenschaften zu Göttingen, van wier historische klasse hij sinds 1876 directeur was; verder schreef hij hiervoor werken over de geografie van Arabië en de geschiedenis en de topografie van Medina.

Wutach, een rechter zijrivier van den Rijn in Baden, komt als G u t a c h uit het Veldmeer in het Zwarte Woud, passeert het Titimeer, en stroomt daarna door een fraai, diep ingesneden dal O. waarts tot Achdorf. Hier buigt hij naar het Z. W. om en mondt, in het geheel 112 km. lang, te Waldshut uit in den Rijn. De beneden- en een gedeelte van den middelloop worden gevolgd door den spoorweg Oberlauchringen—Hintschingen.

Wuttke, Heinrich, een Duitsch geschiedschrijver, geboren te Brieg den 12del1 Februari 1818, vestigde zich in 1841 als privaatdocent te Leipzig, nam er ijverig deel aan de staatkundige beweging van dien tijd, werd in 1848 lid van het Voor-Parlement en hoogleeraar aan de universiteit en naden dood van Blum als diens plaatsvervanger lid der Nationale Vergadering. Hij behoorde hier tot de stichters der Groot-Duitsche partij. Vooral na 1866 nam zijn oppositie tegen de Pruisische regeering meer en meer toe. Hij overleed den 14aen Juni 1876. Van zijn werken noemen wij: „Die Entwicklung der öffentlichen Verhaltnisse Schlesiens" (2 dln., 1842 —1843), „Die schlesischen Stande" (1847), „Polen und Deutsche" (1847), „Die Kosmographie des Istriers Aithekos im lateinischen Auszuge des Hieronymus" (1854), „Die drei Kriegsjahre 1756, 1757, 1758 in Deutschland" (1856), „Die Völkerschlacht bei Leipzig" (1863), „Die deutschen Zeitschriften und die Entstehung der öffentlichen Meinung" (1866, 3de druk, 1875), „Stadtebuch des Landes Posen" (1864), „Wilhelm von Oranien" (1864) en „Geschichte der Schrift und des Schrifttums" (l8te dl., 1872). Uit zijn nagelaten papieren verscheen nog: „Zur Vorgeschichte der Bartholomausnacht" (1876).

Wuttke, Adolf, een Duitsch godgeleerde, geboren den 18aen November 1819 te Breslau, wijdde zich aan de universiteit aldaar aan de studie der godgeleerdheid en wijsbegeerte en hield er sedert 1848 als privaatdocent voorlezingen over philosofie. Nadat hij tevens sedert 1853 als hulpprediker te Breslau was werkzaam geweest, werd hij in 1854 benoemd tot buitengewoon hoogleeraar in de theologie te Berlijn. In 1861 vertrok hij als gewoon hoogleeraar in de systematische godgeleerdheid naar Halle en overleed aldaar den 12den April 1870. Hij schreef: „Fragen an die allgemeine christliche Kirche" (1845), waarin hij de vrijzinnige kerkelijke beweging van Range bestreed, „Geschichte des Heidentums" ( dl. 1 en 2,1851—1853), „Handbuch der christlichen Sittenlehre" (2 dln., 1862) „Abhandlimg über die Kosmogonie der heidnischen Völker von der Zeit Jesu" (1850) en „Der deutsche Volksaberglaube der Gegenwart" (1860, nieuwe bewerking, 1869). Als afgevaardigde van het kiesdistrikt Bitterfeld-Delitzsch naar den Pruisischen Landdag van 1866—1867 behoorde Wuttke tot de fractie der conservatieven.

Wyandotte. Zie Huronen.

Wyandotte, een stad in den Noord-Amerikaanschen staat Michigan, ligt aan de Detroit River, bezit scheepsbouw, zout- en sodaziederijen, minerale bronnen en (1900) 5 183 inwoners.

Wyatt, Wyat of Wiat, sir Thomas, een Engelsch dichter, geboren in 1503 op Allington Castle in Kent, studeerde te Cambridge, stond bij afwisseling in hooge gunst en in-ongenade bij Hendrik VIII, werd in 1537 high sheriff van Kent en overleed den llden October 1542 te Sherborne. Naar men wil heeft hij een hartstochtelijke liefde opgevat voor Anna Boleyn. Uit zijn gedichten, alsmede uit die van zijn vriend Surrey, blijkt de invloed van Petrarca; beide dichters van de 16de eeuw drongen weer op beter verzorgde vormen aan. Evenwel hebben zijn minnedichten in sonnetvorm minder waarde dan zijn hekeldichten. Zijn „Poetical works" verschenen met die van Surrey voor het eerst in 1557, vervol-

Sluiten