Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens met een biografie van Not in 181B, het laatst in de „Aldine Edition" en in de „Courtley Poets" van Hannah (1870).

Wyatt, James, een Engelsch architect, geboren te Burton-Constable den 3den Augustus 1748, behoort tot de eersten, die in Engeland den spitsboogstijl wederom invoerden en geheele gebouwen en gewelven van gietijzer vervaardigden. Hij werd in 1806 president der Britsche schilderacademie en overleed te Marlborongh den bien September 1813. Vooral heeft hij zich door het restaureeren van oudEngelsche gebouwen verdienstelijk gemaakt.

Wyatt, Mathew Digby, een Engelsch bouwkundige, geboren te Rowde in Wilts in 1820, ontwierp in 1860 het plan voor het tentoonstellingsgebouw te Londen, bouwde vele openbare gebouwen en woonhuizen in Engeland en Indië, verwierf in 1869 do ridderlijke waardigheid en werd in 1870 benoemd tot hoogleeraar te Cambridge. Hij overleed aldaar den 21sten Mei 1877. Van zijn geschriften noemen wij: „Specimens of geometrical mosaics of the middle ages" (1848), „Metall works and its artistic design"(1862), „Industrial arts of the nineteenth century" (2 dln., 1863), „Art treasures of the United Kingdom" (2 dln., 1867), „Fine art, a sketch of his history" (1870) en „An architect's notebook in Spain" (1872).

Wybicki, Jozef, een Poolsch staatsman, geboren in 1747 op Bendomin bij Dantzig, ontving zijn opleiding op de Jezuïetenschool aldaar. Als afgevaardigde op den Rijksdag van 1768 liet hij zijn Veto hooren tegen de besluiten, die onder den invloed van Rusland waren vastgesteld. Nadat hij voor de Russen de wijk had genomen naar Krakau en Hongarije, voegde hij zich bij de vereeniging van Bar, was daarvoor werkzaam te Weenen, te Berlijn en in Poolsch Pruisen en keerde na de eerste verdeeling van Polen naar Warschau terug, waar hij Andrzej Zamojski bij het ontwerpen van een nieuw wetboek ter zijde stond. Gedurende den opstand onder Kosciuszko in 1794 bevond hij zich bij Dombrowski in Groot-Polen. Na de bestorming van Praga begaf hij zich naar Frankijk, keerde vervolgens terug naar Pruisen en woonde,daar zijn goederen waron verbeurd verklaard, te Breslau, totdat Napoleon na den slag bij Jena hem en Dombrowski naar Berlijn ontbood en hen belastte met de organisatie van een Poolsch leger en van een Poolsch bestuur. Na de stichting van het hertogdom Warschau werd hij door den koning van Saksen tot senator-woiwode benoemd. Keizer Alexander verhief hem tot president van het hooggerechtshof te Warschau. Hij overleed in 1822. Van zijn geschriften moeten in de eerste plaats de door graaf Sazsynski uitgegeven: „Pamietniki" (3 dln., 1840) genoemd worden.

Wybrands, Aemilius Willem, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Amsterdam den 13aen October 1838, studeerde aan het athenaeum en aan het seminarum der Doopsgezinden aldaar en werd achtereenvolgens predikant te Broek op Langendijk, te Edam, te Hoorn en te Leiden, waar hij den 22Bten September 1886 overleed. Hij schreef: „Het kerkelijk drama der middeleeuwen" (1861), gaf in 1879 de gedenkschriften uit van het klooster Mariengaarde, in 1883: „De abdij Bloemhof" en leverde bijdragen op theologisch gebied in de „Studiën en bijdragen op 't gebied der historische theologie", verzameld door W. Moll en J. G. de Hoop Scheffer.

Wybrands, Christiaan Nicolaas, een Nederlandsch letterkundige, een broeder van den voorgaande, geboren te Amsterdam den 24stei1 Maart 1861, studeerde aan het seminarium der Doopsgezinden aldaar en behaalde in 1873 de gouden medaille te Leiden met het beantwoorden van een academische prijsvraag over de geschiedenis van het Amsterdamsche tooneel. In 1877 werd hij predikant te Noordeind van Graft, later te Edam en te Enschede. Verder schreef hij: „De Amsterdamsche schouwburg gedurende het seizoen 1668—1669 en het Nederlandsch tooneel vóór 1863", „Vondel op het Amsterdamsche tooneel", „Tooneelstudies" (met J. N. van Hall, 2de druk, 1889) en „Vondel's bekeering" (recensie van het proefschrift van G. Brom „Vondel's bekeering" in „Teyler's theologisch tijdschrift", jaargang VI, afl. 3. 1908), alsmede onderscheiden bijdragen in verschillende jaarboekjes en tijdschriften. Hij werd in 1898 emeritus.

Wycherley, William, een Engelsch blijspeldichter, geboren omstreeks het jaar 1640 te Clive bij Shrewsbury, omhelsde in Frankrijk het R. Katholieke geloof, begaf zich na de Restauratie weder naar Engeland, studeerde te Oxford en in den Middle Temple en keerde terug tot het Protestantsche kerkgenootschap. Volgens de verzekering van Pope is hij echter als R. Katholiek Christen gestorven. Zijn eerste blijspel: „Love in a wood" (1672) bezorgde hem de gunst van de beruchte hertogin van CUveland en van koning Ilarel II. Hij verloor ze echter door zijn geheim huwelijk met de weduwe van lord Drogheda. Na haar dood kwam hij wegens schulden in de gevangenis en bleef aldaar, totdat koning Jacobus II, die veel behagen schepte in zijn blijspel: „The plain dealers" (1677), zijn schulden betaalde en hem een jaargeld schonk. Behalve genoemde twee stukken schreef hij nog: „The gentleman dancing master" (1673) en „The country wife" (1676). Wycherley vormde zich hoofdzakelijk naar Fransche voorbeelden, in het bijzonder naar Molière, maar overtrof hen in zedeloosheid. Overigens onderscheiden zich zijn blijspelen door levendigheid van dialoog en door aanschouwelijke zedenschildering. De meest bekende uitgave dier stukken is die van Leigh Hunt in „The dramatic works of Wycherley, Congreve, Vanbrugh and Farquhar" (1876). Wycherley overleed den l8ten Januari 1716.

Wijck, Thomas, een Hollandsch landschap- en genreschilder, tevens etser, werd geboren te Beverwijk vermoedelijk in 1616 en werd begraven te Haarlem in 1677. Reeds vóór 1642 werd hij lid van het St. Lucasgilde te Haarlem. Zijn opleiding ontving hij in Italië, waar Pieter de Laer en Jan Miel grooten invloed op hem uitoefenden. Jan van Huchtenburg en zijn zoon Jan Wijck waren zijne leerlingen. Hij schilderde voornamelijk alchimisten of philosofen, Oostersche havens, Italiaansche landschappen met ruïnes of Italiaansche markten en herbergen en boereninterieurs in den trant van Osiade en Molenaer. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en het Mauritshuis te 's Gravenhage.

Wijck, Adriaan van, een Nederlandsch R. Katholiek geestelijke, geboren te Rotterdam den 23sten September 1641, werd in 1664 pastoor te Kethel bij Delft en trad in 1686 op met een geschrift tegen de leer van Jansenius, terwijl hij zich heftig tegen diens aanhangers verzette. Dit gaf aanleiding tot botsin-

Sluiten