Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nisterie van Landbouw bedroeg de wereldproductie in 1900 163 millioen H. L. Bijna 9/io daarvan komt voor rekening van de landen om de Middellandsche Zee.

De voornaamste centra voor den wijnhandel zijn: Bordeaux, Marseille, Zette, Parijs, Londen, Lissabon, Barcelona, Napels, Korinthe, Odessa, Lausanne, Zurich, Mülheim, Mainz, Keulen, Rudesheim, Berlijn, Hamburg, Weenen, Boedapest en Tokaï.

Het wijverbruik in de voornaamste landen wordt in onderstaande tabel, bewerkt naar mededeelingen van Miraglia, weergegeven:

Verbruik Verbruik

T , per hoofd T per hoofd

Landen. £erbevol_ Landen. £erbevol.

king in L. king in L.

Spanje .... 115 Duitschland 5,7

Griekenland 109,5 Rusland .... 3,3

Bulgarije .. 104,2 België 3,2

Portugal .. 95,6 Nederland 2,2

Italië 95,2 Vereenigde

Frankrijk .. 94,4 Staten van

Zwitserland 60,7 N. Amerika 1,9

Roemenië.. 51,6 Groot-Brit-

Oostenrijk- tannië.... 1,7

Hongarije 22,1 Denemarken 1,2

Turkije .... 20,3

De eerste wijn werd wellicht in de streken ten Z. van de Kaspische Zee bereid. Met de verspreiding van den Semietischen stam verspreidde zich ook de wijnbouw en -bereiding. In den tijd van Homeros en Hesiodos was de wijn algemeen in Griekenland bekend. Hij werd beschouwd als een gave van Dionysos. In Egypte werd de wijnstok reeds gekweekt in den tijd, toen er de pyramiden verrezen. In Griekenland schijnt zich de wijnbouw uit Thracië naar het Z. te hebben verbreid. Hoe de wijn in Italië is gekomen is onzeker. Romulus offerde nog melk aan de goden, maar Numa Pompilius verbood reeds wijn te plengen op den brandstapel der dooden. In de 5ae eeuw v. Chr. roemde Sophokles Italië als wijnland. Van Campanië werd de wijnbouw naar de mondingen van de Po overgebracht, terwijl het landschap Picenum beschreven wordt als rijk aan wijngaarden. Vermaard waren de Rhaetische wijnen (vina rhaetica), de hedendaagsche wijnen uit Tyrol en Valtellino. In de latere tijden der republiek was Italië een wijnland géworden, waar men wijn uit- en koren invoerde.De meest beroemde Italiaansche wijnen waren de Falerner, Massiker, Calener, Caecuber, Albaner, Saener en Sorrentiner. Naar Gallië werd de wijnbouw omstreeks 600 v. Chr. overgebracht door de Phokaeërs. Cesar vond voortreffelijke wijnbergen in Gallia Narbonensis, Ausonius roemt den Médoc, Plinius den wijn van Auvergne en Frontignac; Domiiianus deed ten gunste van Italië de helft van de Gallische wijnbergen vernietigen. De Galliërs gebruikten het eerst houten vaten om den wijn te bewaren. Karei de Groote bezat wijnbergen in Bourgondië en legde de eerste aan te Rudesheim. De wijnbouw in Spanje dankt zijn ontstaan eveneens aan de Phokaeërs. Volgens Plinius was de Spaansche wijn te Rome

zeer in trek. In Duitschland bloeide langs den Moezel de wijnbouw reeds in de 2de en 3de eeuw. In de 8ste eeuw bloeide hij om Heilbronn; later vinden wij hem in Beieren (10116 eeuw), Thuringen en Saksen (llde eeuw), ja zelfs in Pommeren, waar de Duitsche Orde hem had ingevoerd. De winter van 1437 vernietigde echter alle wijnbergen langs de Weichsel, waarna zij niet weder werden aangeplant. De Oostenrijksche wijnbouw is even oud als die langs den Rijn. Tirolsche wijn was volgens Virgilius de lievelingsdrank van Augustus. Aan de Kaap de Goede Hoop werd de wijnbouw in 1685 door Hugenoten ingevoerd. In 1821 verkreeg hij vasten voet in N. Amerika, eerst in Ohio, later vooral in Californië; in 1862 deed hij zijn intrede in Australië. China kende den wijn reeds 2 000 jaar v. Chr.; hij werd echter, naar het schijnt, in het begin alleen voor godsdienstige doeleinden gebruikt. Later werden zijn bereiding en gebruik verboden; de wijngaarden moesten worden uitgeroeid. Enkele provincies leveren thans rozijnen, en wellicht wordt daar ook weder wijn bereid. In Japan werd eerst in 1880 door de regeering een proefwijnberg aangelegd met Fransche, Duitsche en Oostenrijksche wijnstokken. Wijn werd er voor dien tijd, ofschoon wijnbouw voorkwam, niet bereid.

Wijn, Hendrik van, een Nederlandsch geschiedkundige, geboren te 's Gravenhage den 21Bten Juni 1740, promoveerde in 1764 in de rechten, vestigde zich als advocaat te 's Gravenhage en werd in 1771 pensionaris van Den Briel en in 1779 van Gouda. In 1788 legde hij, wegens binnenlandsche onlusten, zijn betrekking neder, om zich uitsluitend aan de beoefening van de geschiedenis te wijden. Reeds had hij in 1766 de Leidsche Maatschappij vanNederlandsche Letterkunde helpen oprichten. In 1795 werd hij tot volksvertegenwoordiger gekozen; in 1804 deed hij, op last der regeering, een rondreis door het land, waarop hij in verschillende steden de plaatselijke oorkonden bestudeerde. Zijn benoeming tot archivaris der Bataafsche Republiek volgde in 1805; door koning Lodewijk, door Napoleon en koning Willem I werd hij in deze betrekking gehandhaafd. Behalve een aantal kleine bijdragen in tijdschriften leverde hij: „Bijvoegsels en aanteekeningen op de Vaderlandsche Historie van Wagenaar" (met Lambrechtsen en anderen, 20 stukken 1790 —1796), „Nalezingen op de bijvoegsels op de Vaderlandsche Historie" (2 dln., 1798—1799), „Historische en letterkundige avondstonden" (1800) en „Huiszittend leven" (6 stukken, 1812), Hij overleed den 278ten September 1831. Na zijn dood verscheen „Letter- en geschiedkundige aanteekeningen op de rijmkronijk van Jan van Heelu betreffende den slag van Woeringen in het jaar 1288"(1840), uitgegeven door dr. Jonckbloet en dr. Kroon.

Wijnaendts Francken, C. J., een Nederlandsch schrijver, geboren den 14den November 1863 te Rotterdam, studeerde in de medicijnen en in de wis- en natuurkunde te Utrecht en te Amsterdam en later aan de hoogescholen te Jena, Parijs en Berlijn. Na zijn promotie in 1890 deed hij groote reizen naar Amerika, Afrika en Azië. Hij schreef o. a. „De evolutie van het huwelijk" (1894), „Het Boeddhisme en zijn wereldbeschouwing" (1897), „Sociale ethiek" (1897), „Psychologische omtrekken"(1900), „Het hypnotisme" (1902), „Fransche moralisten" (1904), „Inleiding tot de wijsbegeerte" (1905), „So-

Sluiten