Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riale vertoogen" (1907) en „De psychologie van het droomen" (1907).

Wijnants, Jan, een Hollandsch landschapschilder, werd geboren te Haarlem omstreeks 1625 en overleed te Amsterdam na 16 Aug. 1682. Tot omstreeks 1660 woonde hij te Haarlem, later te Amsterdam, waar hij tevens wijntapper was. De jeugdwerken van Jacob Ruisduel hadden veel invloed op zijn ontwikkeling. Wijnants schilderde bij voorkeur duinlandschappen en boschgezichten, waarin hij zeer fraaie effecten wist te bereiken. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Mauritshuis te 's Gravenhage.

Wijnbeek, Henricus, een Nederlandsch paedagoog, geboren te Leiden den 17del1 November 1772, studeerde aldaar en promoveerde in 1808 in de rechten. Hij werd onderwijzer van den zoon van raadpensionaris Schimmelpenninck en vertoefde met diens gezin te Maastricht, Spa, Parijs enz. In 1814 werd hij directeur der Nederlandsche staatscourant, in 1816 commissaris en in 1818 inspecteur der Latijnsche scholen. Later was hij inspecteur van het middelbaar en lager onderwijs. Van zijn geschriften noemen wij: „Handleiding tot het onderwijs der Nederduitsche taal voor eerstbeginnenden op de athenaea en collegiën" en „Latijnsche grammatica" (2 dln., 1825). Hij overleed in 1866.

Wijnd, Wind of Winde. (Leuciscus idus). Zie Karpervisschen.

Wijndruif. Zie Wijn en Wijnstok.

Wtjneken, Ernst Friedrich, een Duitsch wijsgeer, geboren den 12den April 1840 te Biitzfleth bij Stade, studeerde in de godgeleerdheid, legde zicli daarnaast ook op wijsgeerige en geschiedkundige studiën toe, waarbij vooral Lotze en Waitz invloed op hem uitoefenden en was daarna gedurende langen tijd op opvoedkundig gebied werkzaam, o. a. als onderwijzer der prinsen bij den hertog van Nassau. In 1883 werd hij predikant te Edesheim in het LeinedaL Den grondslag van zijn wijsbegeerte ontwikkelde hij reeds in zijn proefschrift: „Das Naturgesetz der Seele, oder Herbart und Schopenhauer, eine Svnthese"(1869). Tot een meer volledig stelsel werkte hij zijn denkbeelden uit in „Das Ding an sich und das Naturgesetz der Seele, eine neue Erkenntnistheorie" (1901), gevolgd door „Das Naturgesetz der Seele und die menschliche Freiheit" (1906). Uitgaande van het feit, dat de geheele ervaringsleer alleen de ziel als ondeelbaar doet kennen, stelt hij in de plaats van KanVs „Ding an sich" de „Dynamonaden" als laatste bestaansmogelijkheden. De verschillende toestanden van zulk een ondeelbare „krachtziel" kunnen tot drie grondvormen worden teruggebracht: overmeesterd worden door een andere, wederzijdsch evenwicht en zelf overmeesteren, waarmede de drie zielsfuncties: voelen, kennen en willen overeenstemmen. Uitgaande van deze „natuurwet der ziel", bepaalt hij zijn verhouding tot de wijsbegeerte, met name tot de Kantiaansche, alsook tot de natuurwetenschappen, terwijl hij zich eveneens met godsdienstige en sociale vraagstukken bezighield. Hij overleed den 208tei1 Juli 1905 te Edesheim.

Wijngaarden, Oem van. Zie Oem.

Wijngaardslak (Helix pomatia L.) is de naam van een weekdier, dat tot de orde der Slakken (Gastropoda) en onder deze tot de familie der

XVI

Longslakken (Pulmonata) behoort. De wijngaardslak bezit een spiraalvormig of rondachtig, geel- of bruinachtig slakkenhuis en wordt in Midden-Europa overal gevonden, vooral in heuvelachtige, boomrijke en grazige streken. Zij verbergt zich in het najaar bij voorkeur onder het mos ter diepte van 15— 30 cm. in den lossen grond en sluit haar huisje met een kalkdeksel. In April of Mei komt zij weder te voorschijn, zij voedt zich met gras en jonge spruiten en richt dan soms groote schade aan in de wijnbergen. Deze dieren worden bevrucht in Mei of Juni; de eieren hebben een middellijn van 6—8 mm. en zijn gehuld in een vaste schaal. De wijngaardslak legt er 60—80 in een door haar gegraven gat van 7—8 cm. diepte, dat zij daarna vult met losse aarde. De ontwikkeling dier eieren duurt ongeveer 26 dagen. Van ouds zijn deze dieren in Zuid- en MiddenDuitschland een zeer gezochte spijs, vooral in den tijd van de vasten. Zij speelden daar vroeger echter een grootere rol dan tegenwoordig; Ulm verzond vroeger jaarlijks ongeveer 4 millioen. Thans nog worden zij in Zwitserland en Württemberg in groote hoeveelheden verzameld en in zoogenaamde slakkentuinen gevoederd met afval van groenten en zemelen, totdat zij in den herfst hun schalen sluiten, waarop zij in vaten van 5 000 stuks worden verzonden. Daarentegen is het verbruik in Frankrijk zeer toegenomen. In 1900 werd te Parijs 800 000 kg. verbruikt. Zij zijn voornamelijk afkomstig uit streken met een kalkachtigen bodem; inzonderheid worden zij gekweekt in de distrikten Cóte d' Or, Yonne, Savoye, Opper-Savoye, Oise, Seine et Oise, Seine-et-Marne, Doubs en Aube. In ons land worden zij in het Z. van Limburg als een lekkernij genuttigd. Verder wordt er een groot aantal ingevoerd uit Zwitserland, Duitschland en Italië. In Zuid-Europa, vooral in Italië, worden andere slakkensoorten door het volk gegeten. Ook bij de Romeinen waren slakken een geliefd voedsel, waarvan zij verschillende soorten kweekten.

Wijngeest is een andere naam voor spiritus. Zie aldaar.

Wijnmalen, Theodor Charles Lion, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Malang (Java) den 13den September 1841, promoveerde te Utrecht in de godgeleerdheid op een dissertatie over „Pascal als verdediger van het christendom en bestrijder der Jezuïeten" en vertrok vervolgens naar Leiden, om zich aldaar toe te leggen op de Indische taal-, land- en volkenkunde. Hier schreef hij „Hugo de Groot als verdediger des Christendoms beschouwd. Eene literarisch-apologetische proeve" (1869). In 1869 werd hij benoemd tot tweede bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage en tevens tot conservator van het Museum Meermanno-Westreenianum. Van af 1872 was hij tevens secretaris-bibliothecaris van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië en penningmeester van het Indisch Genootschap. Ook was hij redacteur van de „Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië", redigeerde hij van 1876— 1878 de „Indische Letterbode" en bewerkte hij van 1879—1899 de rubriek Koloniale Literatuur van „De Indische Gids." In 1890 werd hij benoemd tot bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek. Naast talrijke bijdragen in tijdschriften en biografieën in de „Handelingen" der Leidsche maatschap-

19

Sluiten