Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wijnsteenzuur uit de laatste overblijvende moederloogen verkregen. Synthetisch ontstaat het o. a. bij de oxydatie van fumaarzuur door kaliumpermanganaat. Van het gewone wijnsteenzuur onderscheidt het zich, doordat zijn kristallen rhombisch zijn, kristalwater bevatten en aan de lucht verweeren. Het is ook minder oplosbaar in water. Ook in het gehalte aan kristalwater en in de oplosbaarheid van de zouten (racematen) vertoonen zich verschillen.

Mesowijnsteemuur ontstaat door oxydatie van sorbine, erythriet en maleïnezuur en door verhitting van gewoon wijnsteenzuur, met water op 170° C. Het vormt rechthoekige plaatjes, welke gemakkelijk verweeren en bij 143° C. smelten. Praktische beteekenis van alle isomeren heeft alleen het gewone wijnsteenzuur.

Wijnstok (Vitis Tourn) is een geslacht van de Ampalieceeën. Het zijn hoogklimmende struiken met ranken, enkelvoudige, getande of gelobde bladeren en 6—6 bloembladeren, welke zich bij het bloeien van af de basis scheiden en van boven sar menhangend, als een vijfshppige kap worden afgeworpen. De vrucht bestaat in een bolronde tot langwerpige bes. Bekend zijn 28 soorten, welke vooral in de subtropische klimaten van de Oude en Nieuwe Wereld voorkomen. De belangrijkste soort

van dit geslacht is de echte wijnstok (Vitis vinijera L., zie de afbeelding). Het is een klimplant met stevige, houtachtige wortels, welke diep in den bodem dringen. De stam bereikt dikwijls een

aanmerkelijke dikte (1,7 m. omtrek) en bestaat uit taai, poreus en buigzaam hout, bedekt met een vezeligen een sterk gespleten bast. De bladeren zijn langstelig, cirkel tot hartvormig, gewoonlijk 5 lippig en aan de onderzijde zachtbeliaard. De vrucht is rond of ovaal, groenachtig, geel, barnsteenkleurig, rood, blauw tot donkerblauw gekleurd en bevat 5 harde pitten. Gewoonlijk zijn er slechts 1—4 ontwikkeld. Soms ontbreken de pitten geheel, zooals bijv. bij de Middel-Aziatische Kisjnusj, welke de sultanrozijnen levert. Het aantal variëteiten van den echten wijnstok is buitengewoon groot; het bedraagt meer dan 1 000. Met haar classificatie en beschrijving houdt zich de ampelografie bezig.

Van de andere soorten van dit geslacht noemen wij den zomerwijnstok (Vitis aesyivalis Mehx.) met breede, viltachtige bladeren en kleine, donkerblauw gespikkelde, aangenaam zuur smakende vruchten. Hij groeit in de Z. O. lijke staten van N., in Middelen Z. Amerika en wordt evenetns in verschillende variëteiten gekweekt.De vosdruif (Vitis labrusca L.) is een sterk groeiende struik, met viltachtige bladeren, aan de onderzijde roestkleurig getint, en groote, blauwe, aangenaam smakende vruchten. Inheemsch in N. Amerika, wordt hij in Europa voornamelijk voor prieel- en muurbekleeding gebruikt. Voor hetzelfde doel dient de winterwijnstok (Vitis cordifolia Mehx.), een struik met ronde tot eivormige ruige bladeren en kleindonkerblauwe, zoetsmakende vruchten. De welriekende wijnstok

Bloesem van den echten wijnstok, in den knop, bij het opengaan en na het afvallen van de bloembladeren.

(Vitis odoratissima Don.), met ronde bladeren, welke aan de onderzijde kort behaard zijn, zeer welriekende bloemen en kleine, zure vruchten, wordt bij ons als sierplant gekweekt.

De echte wijnstok kwam reeds ten tijde van het diluvium in Z.en in een gedeelte van Middel-Europa voor. Hij groeit het best in streken met een gemiddelde zomertemperatuur van 20—25° C. en een gemiddelde wintertemperatuur van + 6—0° C. De N. grens van zijn verspreidingsgebied loopt in Europa van den mond der Loire (47,5° N. Br.) naar den Rijn, bereikt in Silezië den 52s,en breedtegraad en daalt daarna snel naar het Z. (Bessarabië, 46° N. Br.). In Noorwegen rijpt hij echter aaji de oevers van de Sognef jord tot 61° N. Br. De Z. grens volgt ongeveer den parallel van 30° N. Br.; in zeeklimaten daalt zij echter tot den 10den breedtegraad. Hooger dan 530 m. boven den zeespiegel komt hij als regel niet voor; te Camperlongo in Piemont bereikt hij echter een hoogte van 970 m. ;]

De wijnstok groeit op zeer verschillende gronden;

Echte wijnstok (vitis vinifera).

op vulkanische verweeriugsprodukten, schelpkalk, zandsteenformaties enz. Men plant hem in wijnbergen, welke echter niet altijd bergen zijn, en in tuinen op rijen, gewoonlijk in niet meer dan één of twee soorten. In de wijnbergen leidt men de stokken langs palen, ramen op draden. In tuinen plant men hem op de Z. zijde tegen muren enz. Laat rijpende soorten worden achter glas gekweekt (zie hiervoor het artikel Druiventeelt). De Amerikaansche soorten worden, omdat zij vrij zijn van druifluis, thans veelvuldig als onderplanting gebruikt. De vermenigvuldiging geschiedt door oogen, door stekken van rijp hout of door afleggers. Uit zaad gekweekte planten moeten worden veredeld, wat echter moeilijker is dan bij de andere vruchtboomen. Het planten heeft gewoonlijk in het voorjaar plaats. Door bepaalde wijzen van snoeien tracht men het dragen te bevorderen.

De druiven worden in de eerste plaats gebruikt voor de bereiding van wijn (zie aldaar), verder als tafeldruiven en, gedroogd, als rozijnen en krenten.

Sluiten