Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit rijpe druiven bereidt men ook marmelade en druiven likeur. De pitten leveren een vette olie en looizuur. Het wijnloof wordt gebruikt als veevoeder en groenmest, het hout voor gedraaide voorwerpen, potaschbereiding enz. Van de takken maakt men wandelstokken; ook bereidt men er Frankfurterzwart uit.

Wfinzuur. Zie Wijnsteenzuur.

Wyoming'. een staat van de N. Amerikaan sche Unie, grenst aan Nebraska en Colorado, Utah, Idaho, Montana en Z. Dacota, en telt op een oppervlakte van 263 530 v. km. (1906) 103 673 inwoners. De bodem vormt een hoogvlakte met een gemiddelde hoogte van 1 960 m. Daarop verheffen zich onderscheiden ketens der Rocky Mountains, welke in den Wind River-keten (Mount Fremont 4 203 m.) hun grootste hoogte bereiken. Hier ontspringen de drie voornaamste rivieren: de Yellowstone, de Snake River en de Green River, van welke geen enkele bevaarbaar is. Door den Z. O. lijken hoek stroomt de Platte, welke de Laramie opneemt. Een merkwaardig vulkanisch terrein is het Yellowstone National Park in het N. W. van den staat. Het klimaat is droog en vertoont groote temperatuurschommelingen; ook die op één dag zijn belangrijk. De bodem is rijk aan mineralen. Op grootere schaal wordt echter alleen steenkool gedolven (1906 : 4,9 millioen ton); verder noemen wij koper, grafiet, ijzer, petroleum, goud en zilver. De berghellingen zijn tot 3 000 m. met naaldhout bedekt. Hoofdmiddel van bestaan is de extensief gedreven veeteelt. De veestapel telde in 1900: 6 099 766 schapen, 689 970 runderen, 144 914 paarden en 15 610 varkens. Belangrijk minder ontwikkeld is de landbouw, waardoor in 1900 slechts 317 000 H. A. hehnnwd werd. waarvan 242 000 met behulp van

kunstmatige bevloeiing. Ook de nijverheid is van weinig beteekenis; de waarde der gezamenlijke productie bedroeg in 1906: £ 3 523 260. Van de spoorwegen (1906: 2080 km.) is de Union Pacificspoorweg de voornaamste. De gouverneur, de 23 senatoren en de 50 vertegenwoordigers worden voor den tijd van 2 jaar gekozen. Naar het Congres vaardigt Wyoming 2 senatoren en één vertegenwoordiger af; bij de presidentsverkiezing brengt het 3 stemmen uit. De staat is verdeeld in 13 graafschappen. De hoofdstad is Cheyenne. De staat vormde oorspronkelijk een gedeelte van Louisiana, behoorde daarna bij Dakota en werd in 1868 als territorium georganiseerd. In 1890 werd hij als staat in de Unie opgenomen.

Wijsbegeerte (Philosophie) was bij de Grieken tot aan den tijd van Sokrates elk streven naar ontwikkeling, inzonderheid naar wetenschappelijke vorming. Iemand, die zich met de wetenschappen bezighield, werd sophos (wijze), d. w. z. iemand, die een zaak bestudeerd heeft, of sophist, d. w. z. iemand, die van de wijsheid of de wetenschap zijn beroep maakt, genoemd. Sokrates noemde zich philosoof, niet sophos, daar hij wel naar kennis en waarheid streefde, doch niet wilde beweren deze te bezitten. Plato verstond onder wijsbegeerte de ware wetenschap, d. w. z. de wetenschap van de zuivere ideeën, waardoor zij ongeveer dezelfde beteekenis kreeg als de dialectica (zie aldaar). Volgens zijn bepaling was wijsbegeerte niet het streven naar kennis, maar het bezit daarvan. Bij Aristoteles wordt het woord in twee beteekenissen, gebruikt, n. 1. als

elk vaststaand weten en in engeren zin als de hoogste wetenschap, waarop alle andere berusten, als de wetenschap van de grondbeginselen. Deze dubbele beteekenis heeft het woord ook later behouden, en ook thans nog komen beide voor. Vooral Engelsche philosofen hechten aan wijsbegeerte de beteekenis van wetenschap, terwijl inzonderheid Duitsche philosofen haar als den grondslag van alle andere wetenschappen beschouwen.

Als onderdeelen van de wijsbegeerte moeten de metaphysica (zie aldaar) en de logica (zie Redeneerkunde) genoemd worden, die men wel samenvat als transcendentale philosofie. Daarnaast plaatst men wel de wijsbegeerte die betrekking heeft op de natuur, die, welke zich bezighoudt met de kennis van de ziel (zie Zielkunde) en die, welke de beginselen en wetten van het willen en handelen naspeurt (praktische philosofie, ethica of zedeleer, zie aldaar). Verder behooren tot het gebied van de philosofie de wijsgeerige sociologie, de rechtsphilosofie, de philosofische geschiedenis, de philosofische theologie en de aesthetica.

Intusschen is het niet mogelijk het begrip scherp te begrenzen. Gedeeltelijk is dit een gevolg van het willekeurig gebruik van het woord, gedeeltelijk van de moeilijkheid van de zaak zelf. Tengevolge daarvan zijn er bijna even zoo vele definities als zelfstandige philosofen, terwijl ook het aantal philosofische stelsels legio is. Sommigen geven een stelsel van enkel theoretische begrippen, anderen van ethische of godsdienstige postulaten. Ongetwijfeld beantwoordt dat stelsel het meest aan de eischen, waarvan de grondslagen zooveel mogelijk onaan¬

tastbaar zijn, terwijl ae tneoreuscne, ue praituscne en de aesthetische zijde evenzeer tot haar recht komen.

Aanvankelijk werd de wetenschap niet beoefend ter wille van zich zelf, maar stond zij in dienst van godsdienst, staatkunde of techniek. Zij sloot zich gedeeltelijk aan bij godsdienstige voorstellingen, gedeeltelijk kwam zij daarmee in strijd. De eersten, die de wijsbegeerte ter wille van haar zelf beoefenden, waren de Grieken (zie Grieksche wijsbegeerte). In de Middeleeuwen was de wijsbegeerte geheel ondergeschikt aan den godsdienst, in het W. aan het Christendom, in het O. aan den Islam. Tusschen dit tijdperk en het optreden van de moderne wijsbegeerte ligt een overgangstijd, waarin, onder invloed van de beginnende studie der natuurwetenschappen en het klassieke humanisme, een andere richting optrad, gedeeltelijk herinnerende aan de wijsbegeerte van de Oudheid, gedeeltelijk berustende op de nieuwe beschouwing van de natuur. In dezen tijd leefden o. a. Bacon, Descartes, Hobbes, Spinoza, Leifoiiz, Berkeley en Hume. Een groote verandering werd in de beoefening der wijsbegeerte gebracht door het optreden van Kant, met wien de studie der moderne philosofie begint. Hij zag in, dat de eenheid, die door alle wijsgeeren gezocht wordt, niet gevonden wordt in de kennis van de dingen zelf, daar het onmogelijk is tot de laatste oorzaak door te dringen, maar in de wijze, waarop de kennis wordt verkregen. Zijn invloed ondergingen alle moderne philosofen, waarvan sommigen zijn denkbeelden verder ontwikkelden, terwijl anderen zich meer of minder daarvan verwijderden. Van de wijsgeeren na Kant noemen wij: Fichte, Herbart, Jacobi, Schelm

Sluiten