Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling, Hegel, Schopenhauer, Comtes, Siwrt Mill, Harimann, Lotze, Cousin en Spencer. In de tweede helft van de 19de eeuw was de belangstelling voor de studie der wijsbegeerte overal gering, men bepaalde zich in het algemeen tot een historische behandeling. In het begin van de 20ste eeuw ontstond echter een nieuwe beweging op wijsgeerig gebied, die reeds in de laatste jaren der 19de eeuw was voorbereid. De stoot tot deze beweging gaven de werken van Nielzsche, wiens invloed zich behalve op philosofisch gebbd, vooral ook op letterkundig gebied deed gevoelen. Tegenwoordig heerscht er over het algemeen een levendige philosofische beweging, waarvan het echter niet wel mogelijk is nu reeds een overzicht te geven. Tot de meest bekende Nederlandsche philosofen van den nieuweren tijd behooren Opzoomer,Van derWijck, Spruyt, Land, Bolland en Heymans.

Wyse, Lucien Napoleon Bonaparte, een Fransch liydrograaf, geboren te Parijs in 1844 als zoon van sir Thomas Wyse, Britsch gezant, en Laetitia Bonaparte, een nicht van Napoleon I, bezocht de école navale te Brest, bereisde van 1862—1868 nagenoeg alle zeeën der aarde en hield zich vanaf 1875 bezig met onderzoekingen over het doorgraven van de landengte van Panama. Van de regeeringen van Bogota en Columbia verkreeg hij concessie voor de doorgraving door een maatschappij onder generaal Turr, welke hij in 1878 verlengd wist te krijgen.Hij nam deel aan het Congres, dat onder de leiding van admiraal de la Rondere le Noury en F. de Les$eps te Parijs over die aangelegenheid bijeenkwam. Tegen het einde van 1879 vertrok hij weder naar Panama, om er aan de commissie onder De Lesseps inlichtingen te verschaffen. Van zijn hand verschenen: „Rapports sur les études de la commission internationale d'exploration de 1'isthme du Darien" (1879), „Le canal de Panama" (1885) en „Canal interocéanique de Panama. Mission de 1890 & 1891 en Colombie" (1891). Hij overleed den 15den Juni 1909 te Toulon.

Wijsheid (Sapientia) is een woord, dat een theoretische en een praktische beteekenis heeft. In het eerste geval heeft zij de beteekenis van een veelomvattend en grondig weten en is het tegenovergestelde van onwetendheid en van waanwijsheid. In praktischen zin is wijsheid een verstandig en lofwaardig willen volgens de eischen der rede. Zij staat in dit geval tegenover de dwaasheid, die onverstandige, de sluwheid, die onoprechte middelen aanwendt, en den hartstocht, die ongeoorloofde bedoelingen najaagt

Wijsheid van Salomo, een apokrief boek, omstreeks 150—50 v. Chr. door een Alexandrijnschen Jood in het Grieksch geschreven, bevat een eigenaardige samensmelting van de zuiver praktisch godsdienstige leerstelligheid der Hebreeën (de zoogenaamde Sjokmahletterkunde, waartoe de „Spreuken" van Salomo, de „Predikers", „Job" en enkele „Psalmen" behooren) met de wijsbegeerte der Stoïcijnen (wereldgeest en hoofddeugden) en die der Platonici (praeëxistentie en onsterfelijkheid der ziel).

Wysjnegradskij, lwan Alexejewitsj, een Russisch staatsman, geboren den lsten Januari 1832 (20 December 1831), studeerde in de wis- en natuurkunde, later inzonderheid in de werktuigkunde, werd in 1862 hoogleeraar aan het technologisch instituut te Sint Petersburg en in 1875 directeur

van deze inrichting. Als vertegenwoordiger van een particulieren spoorweg nam hij aan de Baranowsche spoorwegconferentie deel. In 1886 werd hij lid van het departement voor staatseconomie in den Rijksraad, in 1887 minister van Financiën. Door verhooging van verschillende belastingen, hervormingen in het spoorwegwezen, conversie van staatsschulden enz. trachtte hij den financiëelen toestand in Rusland te verbeteren; het gelukte hem echter niet Ruslands crediet te verhoogen, zoodat hij in 1892 zijn ontslag kreeg. Hij overleed te Sint Petersburg den 6den April 1895. Hij schreef een aantal artikelen over technische onderwerpen.

Wysjnij Wolotsjók. Zie Wisjne Wolotsjók.

Wijsman, dr. Hendrik Paulus, in 1862 geboren te Amsterdam, promoveerde aldaar in 1889 op een proefschrift getiteld: „De diastase beschouwd als mengsel van maltase en dextrinase", was van 1888 tot 1891 scheikundige aan de Ned. Gist- en Spiritusfabriek te Delft en werd in laatstgenoemd jaar benoemd tot hoogleeraar in de pharmacie en de toxicologie aan de hoogeschool te Leiden. Hij nam als zoodanig zijn ontslag in 1907 en werd in 1908 benoemd tot buitengewoon hoogleeraar in de pharmacognosie en de leer van het onderzoek der voedings- en genotmiddelen aan de hoogeschool te Utrecht. Zijn voornaamste geschriften zijn: „Het verband van de toxicologie met andere natuurwetenschappen" (inaugureele rede 1891) en „De uitzetting der pharmacognosie" (1908).

Wijsmuller, Jan Hillebrand, een Hollandsch landschapschilder, werd geboren te Amsterdam in 1855 en is nog aldaar woonachtig. Hij werkte eenigen tijd te Brussel en vestigde zich in 1879 tijdelijk te 's Gravenhage.

Wyspianski, Stanislaw, een Poolsch schilder en dichter, geboren in 1869 te Krakau, studeerde te Parijs, bezocht ook andere wereldsteden en was in Polen één der eerste en voornaamste verdedigers van de moderne kunstrichting. Van zijn oorspronkelijke en weelderige phantasie leggen zoowel zijn frescoschilderingen in de Franciscanerkerk te Krakau en de ontwerpen voor een verluchting van den „Ilias", alsook zijn letterkundig werk getuigenis af. In een reeks van treurspelen, ontleend aan de vaderlandsche geschiedenis („Legenda," „Lelewel" enz.) trachtte hij de schematische figuren daarvan tot vol leven te brengen, terwijl in zijn „Protesilaos i Laodamia" een fijne vermenging van den antieken en den modernen geest te bespeuren valt. Populair werd hij vooral sedert 1901 door zijn allegorischphantastisch treurspel „Huwelijk." Gedurende eenigen tijd was hij mederedacteur van het tijdschrift „Zycie" („Het leven"), het orgaan van de Poolsche moderne kunst. Hij overleed den 29steo November 1907 te Krakau.

Wysz, Hans Georg von, een Zwitsersch geschiedschrijver, geboren den 318ten Maart 1816 te Zurich, studeerde aldaar, te Genève, Göttingen en Berlijn, bekleedde in 1843—1847 een staatsambt in zijn geboorteplaats, vestigde zich in 1850 aldaar als privaatdocent voor Zwitsersche geschiedenis en werd er in 1858 buitengewoon en in 1872 gewoon hoogleeraar. Sedert 1854 was hij voorzitter van het Algemeen Historisch Genootschap van Zwitserland. Behalve talrijke verhandelingen schreef li ij o. a.: „Geschichte der Fraumünsterabtei Zürich" (5 stukken, 1851—1858), „Die Chronik <^es Weiszen

Sluiten