Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buches im Archiv Obwalden" (1856), „Ueber die Geschichte der drei Lander Uri, Scliwyz imd Unterwalden in den Jahren 1212—1315"(1858), „Ueber eine Zürcherchronik aus dem 16 Jahrhundert und ihren Schlachtbericht von Sempach" (1862), „Zürich am Ausgange des 13 Jahrhunderts" (1876), „Die Hochschule Zürich in den Jahren 1833—1883" (1883) en „Das Reichsland Uri in den Jahren 1218 —1309" (1891). Hij overleed den 17den December 1893 te Zürich.

Wytegra, een arrondissementshoofdstad in het Russische gouvernement Olonez, gelegen aan de rivier Wytegra, die uit het meer Matko komt en na een loop van 81 km. uitmondt in het 0negameer. Door het Mariakanaal is zij verbonden met de Kowslia en de Bjelo-Osero. De plaats heeft een kweekschool voor onderwijzers, een progymnasium voor meisjes, 4 Russische en een Protestantsche kerk en telt (1900) 4961 inwoners. De levendige handel wordt door een rivierhaven bevorderd.

Wijting1 of Molenaar (Gadus Merlangus). Zie Scheltisschen.

Wytj is een Russische vlaktemaat, die een oppervlakte heeft van 21,67 H. A. Wytj heet ook een aandeel in bouw- of weiland, dat acht personen gezamenlijk bezitten, terwijl verder in den landbouw de arbeidstijden tusschen het eten wytj worden genoemd. De dag wordt dan verdeeld in drie of vier wytj.

Wytsjedg-a, een rechter zijrivier van de Dwina in het Russische gouvernement Wologda, ontspringt aan de Z. O. lijke uitloopers van het Timangebergte, en mondt, na een sterk gekronkelden, maar in het algemeen Z. W. waarts gerichten loop van 1103 km., waarvan 980 km. bevaarbaar zijn, beneden Solwytsjegodsk uit in de Dwina. Haar voornaamste zijrivieren zijn op den rechter oever: de Wisjera, Wym en Jarenga, en op den linker oever de Keltma, Syszola en Loktsjim.

Wyttenbach, Daniël Aïbert, een Nederlandsch taalgeleerde, geboren te Bern den 7den Augustus 1746, studeerde te Marburg en te Göttingen en sedert 1770 te Leiden en werd in 1771 hoogleeraar in de Grieksche taal en in de wijsbegeerte aan de kweekschool der Remonstranten te Amsterdam. In 1779 werd hij hoogleeraar in de wijsbegeerte aan het athenaeum aldaar en in 1799 volgde hij Ruhnken te Leiden als hoogleeraar in de welsprekendheid op. Zijn hoofdwerk is de uitgave van de „Maroalia" van Plularchus (5 dln., 1795—1800), gevolgd door „Animadversiones" (3 dln., 1810—1821) en een „hidex graccitatis in Plutarchi opera"(2 dln., 1830). Verder noemen wij: „Epistola critica ad D. Ruhnkenium" (1769), „Praecepta philosophiae logicae" (1782, laatste druk, 1821), „Eclogae seu selecta principium historium capita" (1793, laatste druk, 1829) en „Vita Ruhnkenii (1800, laatste druk, 1846). Met anderen publiceerde hij de „Bibliotheca critica" (12 dln., 1777—1808), waarop hij als voortzetting de „Philomathia sive miscellanea doctrina" (3 dln., 1809—1817) deed volgen. Ook bewerkte hij een uitgave van Plato's „Phaedon" (1810, nieuwe druk, 1825). Blind geworden, nam hij in 1816 ontslag, waarna hij den 17den Januari 1820 te Oegstgeest overleed. Na zijn dood verschenen nog: „Opuscula varii argumenti"(2 dln., 1821), „Opuscula selecta" (2 dln., 1825 — 1828), „Epistolae selectae" (1830) en „Epistolae VI ineditae" (1839).

Zijn echtgenoote, Johanna Gallien, een nicht uit Hanau, met wie hij op zijn 72ste jaar gehuwd was, vestigde zich na zijn dood te Parijs en ontving in 1827 van de hoogeschool te Marburg eershalve het doctoraat in de wijsbegeerte en letteren. Zij schreef verschillende werken, waaronder: „Théagène" (1815, 2de druk, 1825), „Le banquet de Léontis" (1821) en den roman „Alexis" (1823), in den smaak der Ouden geschreven en ten voordeele der Grieken uitgegeven. Verder schreef zij: „Histoire de ma petite chienne Hermione". Zij overleed op een buitengoed bij Leiden den 27sten April 1830.

Wyv. Thoms. is bij namen van dieren de afkorting voor Charles Wyville Thomson (zie aldaar).

Wijwater (Aqua lustralis benedicta) is in de Roomsch- en de Grieksch-Katholieke kerk het met zout vermengde water, dat door den priester is gewijd en als een symbool van een geestelijke reiniging wordt beschouwd. Bij liturgische plechtigheden wordt het met de wijkwast (aspergillum) gesprenkeld, verder wordt door de geloovigen onder aanroeping van de drie goddelijke personen met den vochtigen vinger meest op het voorhoofd of het hoofd een kruis gemaakt. Daartoe wordt het in daarvoor bestemde bakken of vaten aan den ingang van kerken of kapellen of op kerkhoven bewaard; kleinere wij waterbakken bevinden zich in woningen van de Katholieken. Het gebruik van gewijd water kwam reeds in de 4de eeuw n. Chr. voor. De plechtige liturgische besprenkeling (aspersio) heeft in de Roomsch-Katholieke Kerk eiken Zondag voor de hoofdmis plaats, verder heeft men ze bij sommige bepaalde gelegenheden; in de Grieksch-Katholieke Kerk komt ze tweemaal in het jaar voor.

Wijzen, Zeven, was bij de oude Grieken de naam van een aantal mannen uit de 6de tot de 4de eeuw v. Chr., die zich door hun groote praktische wijsheid en staatkunde onderscheidden en aan wie een aantal korte kernachtige spreuken worden toegeschreven. Volgens de traditie bedraagt hun aantal 7; zij worden echter zeer verschillend opgegeven, alleen Thales, Bias, Pütakos en Solon komen in alle opgaven voor. Plato noemt in zijn „Protagoras" Kleóbulos uit Lindos, Periandros uit Korinthe, Pittakos uit Mytilene, Bias uit Priene, Thales uit Milete Cheilon uit Lacedemonië en Solon uit Athene.

Wijzerg-etallen noemt men de quotienten, die men achtereenvolgens vindt, wanneer men door deeling den grootsten gemeenen deeler van twee getallen bepaalt. Te zamen vormen zij den wijzer.

Wyzewa. Zie Wyzewski.

Wyzewski, Teodor de, een Fransch schrijver van Poolsche afkomst, bekend onder den naam van Wyzewa, werd geboren te Kaloesik in 1863 en vertrok op zesjarigen leeftijd naar Frankrijk. In 1881 werd hij benoemd tot leeraar in de wijsbegeerte aan het college de Ch&tellerault. In 1884 stichtte hij met Edouard Dujardin de „Revue wagnérienne", in 1886 de nieuwe serie van de „Revue indépendante." Hij werd in 1888 medewerker aan de „Gazette des beaux arts" en begon met de uitgave van een werk in 6 dln. over de „Grands peintres." Ook schreef hij in de „Revue des Deux Mondes" en in de „Figaro." In 1883 verscheen zijn roman „Valbert ou les récits d'un jeune homme", daarop volgden de verhalen „Le Baptême de Jésus" (1892) en „Les disciples d' Emmaüs"L(1892). Van zijn overige wer-

Sluiten