Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

manning alleen voor ontspanning en niet voor wedstrijden worden gebruikt, kiest men ook de takelage van den schoener (fig. 5), de jol (fig. 6) en de kets (fig. 7). In N. Amerika is voor kleine vaartuigen (catboats) ook de cattakelage zeer in zwang. Zij bestaat uit één groot zeil en levert hetzelfde als de kotter- en sloep takelages, maar is minder handig.

Yagu«.rundi (Telis yaguarundi Desm.), een roofdier van het kattengeslacht, het meest met den poema verwant, is 55 cm. lang, waarvan 32 cm. op den staart komen, heeft een kleinen kop en afgeronde boren en is donkergrijsachtig bruin. In Z. Amerika bewoont het van Paraguay tot Guatamala de randen van bossclien en het struikgewas, 's Morgens en 's avonds jaagt het op vogels en kleine roofdieren en plundert de hofsteden. Het leeft gewoonlijk paarsgewijze. Het wijfje werpt 2—3 jongen. Menschen valt de yaguarundi nooit aan. Hij wordt in gevangenschap zeer tam, behoudt echter zijn roofzucht en wordt onvruchtbaar.

Yagui. een rivier in Mexico in den staat Sonora, ontspringt op de hoogvlakte van Chihuahu, neemt een aantal zijrivieren op van de Siërra Madre en mondt uit in de Golf van Californië. Aan haar oevers woont een Indianenstam van denzelfden naam.

Yak (Knorbuffel, Po'épliagus Wagn.), een ondergeslacht van het geslacht Rund, is slechts in één soort Poëphagus grunniens L. vertegenwoordigd. Hij komt voor op de gebergten van Tibet en de hoogvlakten van Centraal-Azië, deels getemd, deels wild en in kudden. Het haar, dat de hoeven bijna verbergt, is lang en zijdeachtig; de totale lengte van het dier bedraagt 4.25, de hoogte 1,9 m. Volwassen stieren wegen ongemest 700 kg., de koeien half zooveel. In den bronstijd leven beide geslachten te zamen. De Yak wordt als last- en rijdier gebruikt; zijn smakelijk vleesch en de melk dienen als voedsel. De witte 75 cm. lange staart is een kostbaar versiersel van wapens, paarden en olifanten en wordt ook gebruikt voor kwasten enz. In Frankrijk heeft men getracht den yak als huisdier in te voeren; het blijkt echter, dat hij spoedig ontaardt, ofschoon hij in Europa niet onvruchtbaar is.

Yakkaboom (Podocarpus coriaceus), een soort van het geslacht Podocarpus (zie aldaar), bedekt op Jamaica de toppen der bergen.

Yakoeb Khan. Zie Jakoeb Khan.

Yakshas zijn volgens de Indische volkslegenden demonen, die menschen verslinden. In de theosofie duidt men met dit woord slechte invloeden aan, die zich volgens helderzienden, soms als een vurige komeet of een verschietende ster meester maken van menschen, die zich daarvoor geopend hebben.

Yalden, Thomas, een Engelsch geestelijke en dichter, geboren te Exeter in 1671, studeerde te Oxford en sloot er met Addison en Sachevorel een vriendschap, die tot aan zijn dood voortduurde. Hij werd rector te Chalton en Cleanville in Herfordshire en in 1713, in plaats van Atterbury, benoemd tot predikant aan het Bridewellhospitaal. Hij overleed in 1736. Van zijn gedichten vermelden wij: „De tempel des roems" een „De verovering van Namen".

Yale-college. Zie Newhaven.

Yaleslot. Zie Slot.

Yama of Jama. Zie Jama.

Yamabhushi is de naam van een mystieke sekte in Japan, die voornamelijk in de buurt van Kioto gevestigd is en aan wier leden een geheim¬

zinnige genezende kracht wordt toegeschreven. Het zijn tegelijker tijd geestelijken en krijgslieden, die in afzondering een geheimzinnig leven leiden. Slechts na een langdurige voorbereiding wijden zij anderen in hun geheimen in en nemen hen tot leden aan.

Yamag'ata (Jamagata), Aritomo, markies, een Japansch veldmaarschalk, geboren in 1838 te Chöshü, onderscheidde zich in den burgeroorlog van 1868 aan de zijde der keizerlijke partij, werd in 1872 benoemd tot luitenant-generaal en trad in 1873 op als minister van Oorlog. Nadat hij in 1877 in den Satsoema-opstand Saigó had verslagen, werd hij in 1878 commandant van de keizerlijke lijfgarde en chef van den generalen staf. In 1885 benoemd tot minister van Binnenlandsche Zaken, was hij van 1889—1891 tevens minister-president. In den oorlog van 1894 met China voerde hij als maarschalk bevel over het eerste Japansche leger. Hij behaalde bij Ping Yang in Korea een overwinning, maar was door ziekte gedwongen om weder naar Japan terug te keeren. In 1895 werd hem de titel van markies toegekend. Met Rusland sloot hij in 1896 het RussischJapansche verdrag over Korea, terwijl hij op het einde van 1898 als kabinetsformator optrad. In October 1900 gaf hij de leiding daarvan over aan markies Ito.

Yamen noemt men in China in het algemeen het huis van een ambtenaar. Meer in het bijzonder geeft men dezen naam aan de gebouwen en erven van den Chineeschen onderkoning, welk gebied door een hoogen, blinden muur wordt omgeven.

Yamoenda (Jamoenda), een linkerzijrivier van de Beneden-Amazone, waarvan de bronnen nog onbekend zijn,werd vanaf haar monding tot de Perduwatervallen bevaren. Zij stroomt door het 60 km. lange en zeer smalle meer Faro.

Yamswortel. Zie Dioscorea.

Yanaon (Janaori), een Fransche bezitting op de O.kust van Voor-Indië in het Britsch-Indische presidentschap Madras, ligt in de Godavary-delta en telt op een oppervlakte van 14,3 v. km. (1901) 4759 inwoners.

Yangaro (Dsjandsjaro, Gingiro), een vruchtbaar bergland in Abessinië, onder den 8s,en graad noorderbreedte tusschen den Godsjeb en de Enarea gelegen, wordt door heidensche Galla, alsmede door Christenen en Mohammedanen bewoond. De voornaamste plaats is Oendsjer ten Z.W. van Goerage.

Yangtsekiang- („Zoon der provincie Yang"), de grootste rivier van China, ontspringt in Tibet aan de N.O.lijke helling van het Tanglagebergte bij den berg Goerbanbeltsji als Moer-oeffoe („Bochtig water") der Mongolen en buigt zich onder 95° O. L. v. Gr. als Ditsjoe (Britsjoe) Z.O.waarts. Onder 98° O. L. v. Gr. betreedt hij het eigenlijke China, stroomt vanaf Batang als KinsjaJciang („Goudzandrivier") Z. waarts, beschrijft onder 100° O. L. v. Gr. een wijden boog naar het N., buigt later naar het O.N. om en betreedt boven Saifoe het Roode Bekken van Sz'tsjoean. Vanaf de vereeniging met den Minkiang, welke van het N. komt en door de Chineezen voor den eigenlijken bovenloop gehouden wordt, heet hij Takiang („Groote rivier"). Van hier tot aan de vlakte van Hoekwang stroomt hij afwisselend langs vlakke oevers en door diepe kloven, waarin hij door de bergketens van den Z.O. rand van het Roode Bekken breekt. De benedenloop, welke in hoofdzaak O. waarts gericht is, wordt, nadat hij de vlakte van

Sluiten