Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, suikerbieten, hennep, kastanjes, koolzaad, wijn, < ooft en hout. Er zijn goede weiden, de veestapel be- i staat uit paarden, ezels, runderen, schapen en var- : kens. Een vijfde van den bodem is met boscli bedekt, i dat veel timmerhout, brandhout en houtskool levert. Verder levert de bodem bouwsteen, steenkool, bruinkool en ijzer. De ijzerindustrie is van veel belang ; verder vindt men er inrichtingen voor scheepsbouw, glasfabrieken, tichelwerken, suikerfabrieken, lijmkokerijen en weverijen. Er wordt een levendige handel gedreven, die door spoorwegen en kanalen wordt bevorderd. Het departement is verdeeld in 5 arrondissementen en heeft Auxerre tot hoofdstad.

Yorck (vroeger Jorck) von Wartenburg-, Johann David, Ludiviq, graaf, een Pruisisch veldmaarschalk, geboren den 268ten September 1759 te .Potsdam, nam in 1772 dienst in het regiment van Luck, werd in 1777 luitenant, nam deel aan den veldtocht van 1778, maar werd in 1779 wegens insubordinatie uithet leger verwijderd en tot een jaar vestingstraf veroordeeld. In 1871 trad hij in Nederlandschen dienst en nam als compagniechef bij het regiment Zwitsers van Meuron in 1783 en 1784 deel aan de veldtochten in Nederlandsch Oost-Indië. Nadat hij in 1785 naar Pruisen was teruggekeerd, werd hij in 1787 kapitein bij het bataljon fuseliers van Plüskow en in 1792 majoor. Hij maakte in 1794 den veldtocht in Polen mede, verkreeg in 1797 het bevel over een bataljon fuseliers te Johannisburg, werd in 1799 commandant van een regiment jagers te voet en klom in 1805 op tot brigade-commandant.Als zoodanig dekte hij gedurende den terugtocht van het leger den 26sten October 1806 bij Altenzaun het overtrekken van het korps van den hertog van Weimar, over de Elbe. Op den verderen terugtocht kommandeerde hij de achterhoede van het korps van Blüther tot aan Lübeck, waar hij zwaar gewond werd gevangen genomen. Nadat hij in Februari 1807 tegelijk met Blücher was uitgewisseld, werd hij benoemd tot generaal-maj oor. In 1811 benoemd tot gouverneurgeneraal van de provincie Pruisen, werd hij in den veldtocht van 1812 in het Fransche leger aan het Pruisische hulpkorps onder Grawert toegevoegd als luitenant-generaal en tweede commandant en voerde na het ontslag van Grawert het bevel over de troepen die Riga blokkeerden. Toen in December 1812 het korps van Macdonald na de vernietiging van het Groote leger den terugtocht aanvaardde, kommandeerde Yorck de achterhoede. In de overtuiging, dat het uur van Duitschlands bevrijding geslagen had en zijn afval de Fransehen noodzaken zou, tot aan de Elbe terug te trekken, sloot hij den 30s,cn December 1812 in den molen van Poscherun een overeenkomst met den Russischen generaal Diebitsj, waarin bepaald werd, dat het Pruisische korps onzijdige kwartieren zou betrekken, terwijl een verdere beschikking aan den koning werd overgelaten. Deze, nog in de macht der Franschen, moest het verdrag wel is waar verwerpen en een onderzoek tegen Yorck gelasten, maar in 1813 rechtvaardigde hij in een legerorder het gedrag van Yorck en bevestigde hem in zijn commando. In het voorjaar van 1813 nam deze onder Wittgenstein deel aan de slagen bij Groszgörschen en Bautzen. Bij de reorganisatie van het Pruisische leger kreeg Yorck het bevel over het eerste legerkorps dat het hoofdaandeel had in de schitterende wapenfeiten van het Silezische leger. Den 3den October leverde hij het bloedig gevecht bij Wartenburg, waar¬

door hij het Blücher mogelijk maakte, over de Elbe te trekken. In den slag bij Möckern (16 October) stond hij nagenoeg alleen met zijn legerkorps tegenover den vijand. In den nacht op den l8ten Januari 1814 trok hij bij Kaub over den Rijn, veroverde St. Dizier (30 Januari), greep den 4den Februari Chalons aan, dat Macdonald den volgenden morgen moest overgeven en redde in het gevecht bij Montmirail (11 Februari) den Russischen generaal Sacken van een volkomene vernietiging. Na den vrede verkreeg hij het opperbevel in Silezië, werd benoemd tot generaal der infanterie en onder toekenning van den titel von Wartenburg en van een dotatie in den gravenstand opgenomen.Gedurende den veldtocht van 1815 belast met het opperbevel over het Pruisische reservekorps tusschen de Elbe en den Rijn, nam hij, daar hij zich achteruit gezet waande, na het sluiten van den vrede zijn ontslag en vestigde zich in Sileziëj Den 5den Mei 1821 werd hij bevorderd tot generaalveldmaarschalk. Hij overleed den 4den October 1830 te Keinöls bij Breslau. In 1855 verrees te Berlijn een standbeeld te zijner eer.

Yorik. Zie Steme.

York of Yorkshire, het grootste graafschap van Engeland, met den titel van hertogdom, grenst in het oosten aan de Noordzee en telt op 15 710 v. km; (1901) 3 584 762 inwoners. Het is verdeeld in de stad York (zie aldaar en in drie districten (ridings), die sedert 1888 ieder een afzonderlijk graafschap vormen. Zij zijn: Noord-Riding, dat zich zuidwaarts uitstrekt tot aan de Ouse en de Derwent en oostwaarts tot aan de kust van den mond der Tees tot aan Filey (5514 v. km. groot met 379 396, als regeeringsdistrikt 286 036 inwoners), Oost-Riding tusschen de Noordzee, de Humber, den benedenloop van de Ouse en den middenloop van de Derwent (3033 v. km. groot met 384 997, als regeeringsdistrikt 144 748 inwoners) en West-Riding, het grootste gedeelte ten westen van de Ouse en de Trent gelegen (7149 v. km. groot, met 2 744 848, als regeeringsdistrikt 1 460 982 inwoners). Het gebied van de stad York wordt door Noord-Riding ingesloten. De hoofdsteden van de tegenwoordige graafschappen zijn York, Beverley en Northallerton.

De kust van den mond der Tees tot aan Flamborough Head is steil, van hier tot aan Spurn Head, aan den mond der Humber,vlak. Tusschen de Noordzee en den mond der Humber ligt het schiereiland Holderness, een der vruchtbaarste streken van Engeland, bekend wegens zijn voortreffelijk rundvee. Het vruchtbare dal van York, 96 km. lang en gemiddeld 26 km. breed, splitst het graafschap in twee deelen. Dit dal wordt besproeid door de Ouse en haar bronrivieren, alsmede door haar zijrivier de Derwent, en is in haar zuidelijk gedeelte volkomen vlak en met marschlanden en venen bedekt. Ten oosten van deze vlakte verheffen zich de heuvelachtige North-York-Moors of Oostelijke Moorlands (Egton Moors) en de Yorkshire Wolds, ten westen de Yorkshire Hills of Westelijke Moorlands, die een gedeelte vormen van het Penninisch Gebergte en hoofdzakelijk bestaan uit kalksteen en ouden rooden zandsteen met aanzienlijke steenkolenlagen. Hier verheft zich de Wliernside, tot een hoogte van (26 m., de Great Whernside (704 m.), de Ingleborough (723 m.) en de Penigant (692 m.). Behalve steenkool, levert Yorkshire veel ijzer; verder vindt men er ■ lood, koper, aluin, kalksteen, molensteenen en slijp-

Sluiten