Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1872 gekozen in den landdag, werd hij in 1882 lid van den Senaat. Zijn tegemoetkomende houding ten opzichte van Rusland was oorzaak, dat hij in 1884 in den adelstand werd verheven en in 1897 tot vrijheer werd benoemd met zijn pseudoniem als familienaam. In 1899 moest hij, doordat zijn stem vóór de promulgatie van het Februari-manifest hem het vertrouwen van vele van zijn partijgangers deed verspelen, zijn mandaat als senaatslid neerleggen. Sedert 1900 oefende hij echter als geheim raadsman van de Oud-Finnen weder belangrijken invloed uit op de positie van Finland. Van zijn werken, die bijna alle in het Finsch verschenen en zich kenmerken door een anti-Zweedsche strekking noemen wij: „Mededeelingen over den voortijd van den Finschen stam" (1862), „De knuppeloorlog en Finlands sociale toestand op het einde van de 16de eeuw"(Zweedsch, 3 dln., 1864—1866), „Bijdragen tot de geschiedenis van den Noorschen Oorlog"(1865), „Finsche geschiedenis"(1874), „Richtsnoeren in de geschiedenis der menschheid"(2(le druk, 1901) en „Onderzoek omtrent de Finsche verhoudingen van het grondbezit in de Middeleeuwen"(1881). Hij overleed den 13den November 1903 te Helsingfors.

IJs. één der drie aggregaatstoestanden, waarin het water voorkomt, ontstaat, wanneer dit beneden 0° 0. wordt afgekoeld. Intusschen kan, zooals Falirenheit in 1721 aantoonde, water onder zekere voorwaarden, n.1. van volkomen rust en afwezigheid van ijs zelf, ook beneden 0° C. afgekoeld (onderkoeld) worden zonder in ijs over te gaan. In de plantenwereld speelt dit verschijnsel, dat in de capillaire vaten der planten bij lage temperaturen herhaaldelijk moet optreden, een belangrijke rol. Het ijs bestaat uit hexagonale kristallen. Deze groepeeren zich bij de vorming van ijs zoodanig, dat de dichtheid van dit laatste kleiner is dan die, van het water, waaruit het ontstaat Vandaar dat ijs op zijn smeltwater drijft. Stelt men het soortelijk gewicht van water = 1, dan is dat van luchtvrij ijs = 0,916. Bij het bevriezen zet zich het water dus nagenoeg een negende van zijn volume uit. De kracht, die, wanneer dit bevriezen in gesloten vaten plaats heeft, daarbij ontwikkeld wordt, is zeer aanzienlijk. Huygens deed er in 1667 een vingerdik ijzeren kanon door springen. Zeer dikwijls komt zij tot uiting door het springen van vaatwerk en van waterleidingbuizen, door het barsten van vochtige boombast, het opvriezen van den grond, bij de verweering van gesteenten enz. Het eenmaal gevormde ijs verandert bij temperatuurverandering zijn volume. Zijn uitzettingscoëfficiënt is grooter dan die van ieder andere bekende vaste stof.

Zuiver ijs is in dunne lagen kleurloos en doorschijnend, in dikke groenachtig, ook blauwachtig tot diepblauw. Het is zwak dubbelbrekend, geleidt de warmte zeer slecht en, zoolang het droog is, de electriciteit in het geheel niet. Zijn hardheid bedraagt 1,6. Lichtende warmtestralen laat het door; donkere daarentegen absorbeert het. Zijn soortelijke warmte bedraagt volgens Hesz, wanneer die van water = 1 wordt gesteld, 0,6. De latente smeltwarmte bedraagt 80 calorieën. Daar deze hoeveelheid warmte bij het bevriezen van één gram water vrijkomt, bevriezen rivieren, vaarten enz. slechts langzaam, evenals zij ook slechts langzaam weder ontdooien. Voor het regelmatig verloop van de luchttemperatuur is dit van veel belang. De ver¬

nielende werking van overstroomingen zou, zooals Black doet opmerken, nog veel grooter zijn, wanneer de smeltwarmte van ijs geringer was. Het vriespunt van ijs kan door grooten druk verlaagd worden. Mousson toonde aan, dat water bij een druk van ongeveer 13000 atmosferen bij -18° C. nog vloeibaar is. Daarmede hangt de zoogenaamde regelatie, het aaneen vriezen van ijsbrokken, welke tegen elkander gedrukt worden, samen. Ook de beweging der gletschers, welke de vormen van het dal aannemen, waarin zij omlaag zakken, moet worden verklaard uit deze smeltpuntsverlaging door drukvermeerdering. Neemt in bochten, op verheffingen van den dalbodem enz. de druk toe, dan smelt het ijs. Het smeltwater ontwijkt, om in spleten, holten enz., waar het zich kan uitzetten, weder te bevriezen.

Een eigenaardig en schijnbaar abnormale ijsvorming is die van het grondijs, dat zich herhaaldelijk op den bodem van rivieren vormt. Van de vele theorieën, welke over zijn ontstaan zijn opgesteld, schijnt de volgende het meest aannemelijk. De stroomingen in een snel stroomenden waterloop veroorzaken, doordat zij de vorming van een koudere oppervlaktelaag tegen gaan, de algemeene afkoeling van het water tot of beneden het vriespunt. Komt dit onderkoelde water in aanraking met vaste lichamen, waarvoor uit den aard de bodem en de oevers de meeste gelegenheid bieden, dan kan het vast worden, waarna deze eerste ijskristallen de kernen voor de afzetting van grootere hoeveelheden grondijs vormen. Komt dit, door de strooming medegesleurd, aan de oppervlakte, dan laat het zich door zijn brokkelige gesteldheid, door zijn gehalte aan steenen enz. gemakkelijk van het oppervlakteijs onderscheiden.

Terwijl in de heete luchtstreek nooit ijs in het laagland optreedt, in de gematigde alleen des winters, treft men in de poolstreken het geheele jaar door ijs aan, en dit poolijs is hier van grooten invloed op het klimaat, daar het met betrekking tot de temperatuur dezelfde eigenschappen heeft als land; het doet in den winter groote koude, barometrische maxima en poolwinden ontstaan, verbruikt bovendien in den zomer, om te smelten, zooveel warmte, dat het zeer ongunstig op de omgeving werkt. Het poolijs wordt nog verdeeld in zoetwaterof landijs en zoutwater- of zeeijs, al naar gelang de plaats, waar het ontstaat. In het arctisch gebied beslaat het landijs dikwijls groote oppervlakten, bedekt bijv. geheel Groenland en waarschijnlijk het geheele antarctische vasteland. Aan de randen van het land dalen de somtijds reusachtige gletschers van dit landijs tot in zee af, waar zij afbreken en daardoor de ijsbergen (zie aldaar) doen ontstaan. Tot het zoetwaterijs moet ook het rivierijs gerekend worden, dat vooral aan de monden der Siberische stroomen optreedt. Het zeeijs vormt de ijsvelden, die dus in de zee zelf ontstaan door het bevriezen van het zeewater aan de oppervlakte. Deze ijsvelden worden nog onderscheiden in p a k ij s, dat in de centrale deelen der Poolzeeën optreedt, en in d r ij fij s, dat aan de randen wordt aangetroffen. De grens van het drijfijs reikt op het Z. halfrond tot 36° (Kaap de Goede Hoop); op het N. halfrond komt het alleen in den Atlantischen Oceaan en wel, wegens den Golfstroom, slechts in het N.W. voor, waar het aan de kust der Vereenigde Staten van N. Amerika eveneens 35° bereikt.

Sluiten