Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IJsbreker, een bijzonder sterk gebouwde schroefstoomboot, voorzien van een gebogen, met ijzer beslagen boeg, dient om het ijs in een vaarwater stuk te breken, ten einde een vaargeul voor de schepen open te houden. Hij vaart met volle kracht schuin tegen het ijs op en drukt dit door zijn gewicht stuk. Door een passende verdeeling van den waterballast in den dubbelen bodem wordt, al naar mate het ijs dikker of dunner is, het voorste gedeelte van den ijsbreker meer of minder omhoog gebracht. De grootste ijsbrekers zijn de Russische Jermak en de Baikal. De eerste werd gebouwd naar het plan van admiraal Makaroff en heeft zonder ballast een waterverplaatsing van 10 800 ton, met waterballast van 14 783 ton. Hij is 93 m. lang en 21,6 m. breed en heeft een diepgang van 5,3—7,6 m. Vier stoommachines van te zamen 12000 P.K. drijven 3 schroeven aan den achtersteven en één in den boeg. De Jennak breekt een ijslaag van 7,6 m. stuk. De Baikal werd gebouwd om des winters op het Baikalmeer een vaargeul open te houden voor den Trans-Siberischen spoorweg, zoolang de lijn rondom het meer niet voltooid was. Hij was in staat 25 geladen spoorwegwagens over te brengen, terwijl in de kajuit plaats was voor 150 passagiers. Een ijslaag van 7,9 m. dikte werd door dezen ijsbreker stuk gevaren.

IJsdam, een ijsmassa, welke als een dam over de volle breedte van de rivier ligt en het afstroomen van het water belet, ontstaat in den dooi, doordat de ijsschollen, die in de rivier drijven, niet spoedig genoeg kunnen worden afgevoerd en dan op elkander geschoven worden. Zij ontstaan dus vooral op plaatsen, waar de rivier sterke bochten maakt of ondiepten heeft en kunnen tot zeer gevaarlijke overstroomingen aanleiding geven. Daarom tracht men de vorming van ijsdammen zooveel mogelijk te voorkomen, of als zij ontstaan zijn, ze stuk te schieten of met behulp van dynamiet op te ruimen.

IJsduiker. Zie Zeeduikers.

Ijseend. Zie Eend.

IJsel, Geldersche. Zie Rijn.

IJsel, Hollandsche. Zie Hollandsche IJsel.

IJsel, Oude, een zijrivier van den Gelderschen IJsel, ontstaat in den Pruisischen kreits Borken bij het dorp Raesfeld, loopt over een korten afstand over de oostgrens van ons land, komt beneden het dorp Gendringen geheel op Nederlandsch grondgebied, splitst zich bij Laag Keppel in twee takken, die later zich weer vereenigen, en mondt bij Doesburg in de hoofdrivier uit.

IJselmonde. een gemeente in de provincie Zuid-Holland, 1375 H. A. groot met (1910) 4780 inwoners, ligt op het eiland IJselmonde en heeft een kleibodem. De voornaamste bezigheden zijn landbouw, veeteelt, nijverheid en vischvangst. Tot de gemeente behoort het dorp IJselmonde, de buurten Oostdijk, Langendijk en Hordijk en de gehuchten De Kreek, De Punt, Lombardije en Varkensoordkade.

Het dorp IJselmonde bezit een fraaie Hervormde kerk, een kasteel en een station van de spoorlijn Rotterdam—Dordrecht.

IJselmuideu. een gemeente in de provincie Overijsel, 2143 H.A. groot met (1910) 2474 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Kampen, Grafhorst, Zwollerkerspel en Wilsum. De bodem bestaat in het W. meest uit klei, het oostelijk gedeelte, dat tot den polder Mastenbroek behoort, uit laag-

veen. Het dorp IJselmuiden ligt op diluviaal zand. De voornaamste middelen van bestaan zijn landbouw, veeteelt, zuivelbereiding, groenteteelt en eenige nijverheid. Tot de gemeente behoort het dorp IJselmuiden, benevens een aantal buurten en het gehucht De Plas.

Het dorp IJselmuiden, dat in een oorkonde van 1133 reeds wordt vermeld, bezit een Hervormde en een Roomsch Katholieke kerk.

IJselstein. een gemeente in de provincie Utrecht, 2227 H.A. groot met (1910) 4021 inwoners, wordt begrensd door de Utrechtsche genieenten Vreeswijk, Jutfaas, Linschoten, Willeskop, Benschop, Lopik en Jaarsveld en door de Zuid-Hollands sche gemeente Vianen. In het Z.O. wordt zij door de Lek begrensd, de Hollandsche IJsel loopt er door. De bodem bestaat uit rivierklei. Landbouw en veeteelt zijn de voornaamste middelen van bestaan. Ook wordt er eenige nijverheid uitgeoefend.

Het stadje IJselstein ligt op den linker oever van den IJsel, waarover hier een brug ligt. Een gedeelte van de wals is in een wandelplaats herschapen. De voornaamste gebouwen zijn: de Hervormde kerk met een fraaien toren en een praalgraf van 4 heeren en vrouwen van IJselstein, de Roomsch-Katholieke kerk en het stadhuis. Waarschijnlijk is de plaats ontstaan, nadat er een kasteel was gesticht. In 1310 werd er een parochiekerk gebouwd. Omstreeks denzelfden tijd werd de plaats door Guyolie van IJselstein, de gemalin van Johan van Egmond, tot een stad verheven, in 1390 ontving zij muren, torens en poorten. Het kasteel werd herhaaldelijk belegerd.

IJsenbrandt, Adriaen, een Vlaamschhistorieen portretschilder, overleed te Brugge in 1551. Zijn geboortejaar is onbekend. Hij ontwikkelde zich onder invloed van Gerard David. In 1510 werd hij meester in het St. Lucasgild te Brugge, waar hij zeer in aanzien was. Men schrijft hem tegenwoordig de schilderijen toe, die Waag en voor het werk van Mostaart hield. De werken van zijn hand zijn zeer talrijk. Hier te lande bevindt er zich een in het Mauritshuis te 's Gravenhage.

IJsendljck. Jules Jacques van, een Belgisch architect, geboren in 1836 te Parijs, studeerde te Bmssel in de bouwkunde en ontving aldaar den grooten prijs. Vervolgens vertrok hij naar Parijs en voltooide zijn studiën onder leiding van Lebas, Lesueur en Viollet le Duc. Na zijn terugkeer in België werd hij belast met de restauratie van een aantal oude bouwwerken en vervaardigde hij ontwerpen voor een aantal kerken, kazernes, gemeentehuizen (o. a. voor Anderlecht, Schaerbeck en Ternacht), het provinciehuis te Gent enz. Een van zijn belangrijkste restauraties is die van de Zavelkerk te Brussel. IJsendijck overleed te Brussel in 1901. Hij was lid van de Belgische academie van letteren, wetenschappen en kansten.

IJsg-ors (Calcarius lapponicus), een vogel uit de familie der Vinken, is 16 cm. lang, waarvan 6 cm. op den staart komen, aan kop en keel zwart, van boven roestbruin en aan de buikzijde wit, beide met zwarte schaftstrepen; de vleugels zijn bruinzwart, de staart zwart. Hij bewoont de toendra's van de Oude en Nieuwe Wereld en trekt in den winter slechts zoover zuidwaarts als strikt noodig is. Reeds in Nederland en Duitschland verschijnt zij zeer zelden. Bij ons te lande werd zij o. a. te Haarlem, Lisse, Wassenaar en Harderwijk waargenomen. Het wijfje legt in een

Sluiten