Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Temp. der lucht (in C°) 15 19 22,5 26

I 1

Temp. in de ijskast... 5,6 6,9 8,3 9,6

IJsverbrnik in kg. .. 4,8 6,0 7,2 8,4

Neemt men 19° C. aan als gemiddelde temperatuur der 5 zomermaanden, dan zou zulk een ijskast in dien tijd 9 18 kg. ijs verbruiken. Rekent men daarbij 2 kg. ijs per dag voor het afkoelen van de spijzen, het openen van de deur enz. dan bedraagt het totale ijs verbruik 1225 kg. Het smeltwater wordt afgevoerd door een buis.

IJsland, een tot Denemarken behoorend eiland, ligt in het noordelijk gedeelte van den Altantischen Oceaan tusschen 63° 23'—66° 32' N. Br. en 13° 31'— 24° 29' \V. L. v. Gr. en is 360 km. van Groenland en 965 km. van Noorwegen verwijderd. Bij een lengte van 356 km. (van het noorden naar het zuiden) en een breedte van 490 km., beslaat het eiland een oppervlakte van 104 785 v. km.

De kusten zijn zeer onregelmatig en bevatten, vooral aan de west- en noordkust talrijke diepe inhammen of fjorden, zooals de Faxafjördur, de Skagafjördur en de Eyjafjördur. De fjorden aan de oostkust zijn kleiner; aan de zuidkust komen ze weinig voor. Daar rijzen over een lengte van 185 km. hooge gletscherwanden bijna onmiddellijk uit de zee op, zoodat zij slechts door een smalle zandstrook van deze gescheiden zijn. Het noordwestelijk gedeelte van IJsland bestaat uit een groot schiereiland met een oppervlakte van 13 700 v. km., tusschen de baaien Breidif jord en Hunafloi gelegen, en is met het overig gedeelte van IJsland door een smalle landengte verbonden. Met uitzondering van een smalle kuststreek en Van een grootere vlakte aan de Faxafjord bij Reykjavik, is het geheele eiland een vulkanische hoogvlakte, die in het midden zich 700 m. boven de oppervlakte der zee veVheft en met tallooze kegelvormige toppen en koepels is bedekt. Deze hoogvlakte, vooral in het binnenland een woeste lavavlakte, daalt op sommige plaatsen met een zachte helling naar de kusten af, terwijl zij zich elders met rotswanden ter hoogte van 300 m. uit de zee verheft. Zij is doorsneden door diepe kloven, rivierdalen en meren en bedekt met rotsblokken, gerolde steenen, sneeuw- en ijsmassa's. Als eilanden verheffen zich aldaar de met gletschers bedekte sneeuwbergen (Jökul, meervoud Jöklar), met een hoogte van 1000 tot 2000 m.; de grootste van deze gletschers, de Vatnajökul, beslaat een oppervlakte van 8810 v. km. Het binnenland van deze hoogvlakte is nog bijna geheel onbekend. De bergen zijn alle meer of minder vulkanisch. Tot de meest bekende behooren de Hekla (zie aldaar) en de Orafajökul (1959 m.). In het geheel treft men 29 vulkanen op IJsland aan, waarvan 7 geregelde uitbarstingen vertoonen. Ook vindt men er een groot aantal lauwe bronnen (laugar of baden), heete springbronnen (huerar), van welke de Groote Geiser (zie Gei ser) het meest bekend is, zwavelbronnen (namar), zwavelpoelen en süjk vulkanen. De rivieren, die in het algemeen een korten loop bezitten, hebben gedeeltelijk een aanzienlijk verval met vele watervallen, terwijl zij gedeeltelijk door een vlakken bodem, door weiden en moerassen stroomen. Van de meren zijn het Myvatn in het noorden en het Thingvallavatn in het westen te noemen.

XVI

Het klimaat is onbestendig, vochtig en in het O. zeer nevelig. Het uit de zee aangedreven ijs blijft aan de noord- en oostkust wel eens tot in Juni of Juli liggen, maar strekt zich nooit uit tot aan de zuidwestkust. Oostelijke winden, die over sterk verwarmde zeeën waaien, komen het meest voor, orkanen zijn niet zeldzaam. Te Reykjavik bedraagt de gemiddelde jaartemperatuur 4,1° C., die van den winter—2,5° C. en die van den zomer 12° C., terwijl de warmtegraad aan de noordkust veel lager is. De jaarlijksche regenhoe veelheid bedraagt te DjupivogrllOOm.m., te Reykjavik 750 mm. De gemiddelde sneeuwgrens ligt 860 m. boven den zeespiegel.

Ten opzichte van zijn plantengroei behoort IJsland tot het arktisch gebied, alleen het Z. is subarktisch. Het aantal bosschen is, tengevolge van een roekelooze behandeling, zeer verminderd; er komen thans nog bijna uitsluitend berken voor, die echter klein en struikachtig blijven. Tot de nuttige delfstoffen behooren zandsteen, zeoliet, kalkspaat, chalcedon, porseleinaarde, een soort bruinkool, surturbrand geheeten,en een groote hoeveelheid zwavel,die vooral naar Engeland verscheept wordt.

De dierenwereld is arm aan soorten, er komen slechts weinig zoogdieren voor, o. a. de poolvos en de IJslandsche muis. In 1770 werden er een aantal rendieren ingevoerd, die zich sterk vermeerderd hebben en in groote kudden in het binnenland leven, doch waarvan geen partij wordt getrokken. Aan de kusten komen veel zeehonden voor. Vogels treft men er zeer veel aan, vooral eiderganzen, sneeuwhoenders, alken enz, Reptielen en amphibieën komen niet voor, insekten treft men er weinig aan. De vischvangst is van veel belang, vooral van kabeljauw, haring en de hakarl, een soort haai met een traanachtigen lever. Ruim 1/i van de IJslandsche bevolking leeft van de vischvangst, ook komen er Nederlandsche, Fransche en Engelsche visschers. In zoet water leven zalmen en forellen. Het grootste deel van de bevolking leeft van de veeteelt. Het voornaamste huisdier is het schaap, dat voortreffelijk vleesch en goede wol levert. Minder talrijk zijn de runderen. De paardenteelt is daarentegen van groot belang. De IJslandsche paarden behooren tot een klein ras met een vluggen en zekeren gang, zij hebben weinig behoeften en zijn, daar men op IJsland alleen rijwegen aantreft, aldaar onontbeerlijk. Varkens komen slechts bij uitzondering voor, honden treft men er in groote menigte aan. De IJslanders gebruiken veel uitgeperste melk, skyr genaamd. Verder voeden zij zich met schapenvleesch, visch, vogels, eieren, roggebrood, boter en melk. Er wordt tamelijk veel brandewijn en koffie gedronken.

IJsland telt (1901) 78 489 inwoners, in 1703 bedroeg dit aantal 50 444 en in 1801 47 240. De oorzaak van de geringe bevolkingstoename moet, evenals die van de geringe dichtheid, gezocht worden in de ongunstige natuurlijke omstandigheden.

De IJslanders zijn van Germaanschen stam, zij behooren tot de Scandinaviërs en belijden den Lutherschen godsdienst. Zij worden beschreven als ernstig en waarheidlievend, gastvrij, aan hun vaderland gehecht en zeer goed ontwikkeld. Inzonderheid zijn zij zeer bekend met de geschiedenis van hun land, zooals die in sagen en gedichten is overgeleverd. Hun taal is het oud-Noorsch, bijna in zijn oorspronkelijke zuiverheid, en zij bezitten daarin een rijke, belangrijke literatuur. (Zie Noorsche taal en letler-

21

Sluiten