Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunde). Hoewel de kinderen op het land meestal i slechts privaatonderwijs van rondtrekkende onder- ' wijzers, van geestelijken of van hun ouders ontvan- ] gen, is een IJslander, die niet lezen of schrijven kan, een groote zeldzaamheid. Te Reykjavik bestaat een hoogeschool, te Akreyri een hoogere burgerschool. Ook vindt iren te Reykjavik een theologische en een geneeskundige school. Er verschijnen een aantal couranten.

De nijverheid is gering, zij bepaalt zich hoofdzakelijk tot het verwerken van wol tot kousen en handschoenen, alleen in de hoofdstad vindt men eenige ambachtslieden, daar ieder zooveel mogelijk zich zeiven van het benoodigde voorziet. De handel was tot 1786 een koninklijk monopolie en tot 1854 alleen aan Deensche onderdanen toegestaan. Thans is de handel vrij. Men heeft er twee banken, de rijksbank werd opgericht in 1885, de private Islands Bank in 1903. De belangrijkste artikelen van uitvoer zijn: visch, traan, vischlijm, talk, schapenvleesch, wol, wollen kousen en handschoenen, eiderdons, vederen, schapen- en vossenvellen, zwanenvederen en paarden. De visch enz. gaat vooral naar Spanje; paarden en wol worden verzonden naar Engeland, het overige is meestal bestemd naar Kopenhagen. De invoer bestaat voornamelijk uit graan, meel, koloniale waren, hout, steenkool, ijzer, tabak, spiritualiën en fabriekswaren. In 1904 bedroeg de uitvoer 10 695 725 kronen, de invoer 11 987 986 kronen. De handelsvloot bezat in 1905 aan schepen grooter dan 4 ton, 162 zeilschepen van 8399 ton en 33 stoomschepen van 2268 ton.

IJsland bezit sedert 1874 weder een eigen wetgevende vergadering (Althing), die om de 2 jaar in Reykjavik vergadert en sedert 1903 uit twee Kamers bestaat. De hoogste ambtenaar is thans de minister voor IJsland, die te Reykjavik woont en aan den Althing verantwoording schuldig is. In kerkelijk opzicht vormt IJsland een bisdom. Sedert 1907 is het verdeeld in 105 kerspelen en in 13 geneeskundige distrikten. In 1906 werd er een telegraafkabel over de Faröer tot Seydisfjord op IJsland aangelegd, tevens werd Seydisfjord telegrafisch en telefonisch met Akreyri en Reykjavik verbonden. Op bepaalde dagen varen stoomschepen naar Kopenhagen. Sedert 1873 bestaat er een geregeld postverkeer. De inkomsten van het eiland bedroegen over 1908 en 1909 2 822 000 kronen, de uitgaven 2 848 000 kronen. De begrooting over de jaren 1910 en 1911 gaf aan inkomsten 2 930 000 kronen op, waaronder 120 000 kronen subsidie uit de rijkskas, aan uitgaven wees zij 2 994 000 kronen aan. Sedert 1907 heeft IJsland zijn eigen tijd, een uur verschil met den Greenwichtijd.

Het eiland IJsland, vroeger zonder voldoende reden voor het oude Thule (zie aldaar) gehouden, werd sedert de 8ste eeuw op sommige plaatsen aan de zuiden oostkust door Iersche monniken bewoond en ontving zijn bevolking grootendeels uit Noorwegen, waar het tusschen 860 en 870 door de reizen van Nadd-Oddr, Gardar en Floke bekend werd. Laatstgenoemde gaf het wegens de groote massa drijfijs den naam van IJsland. De eerste, die voorloopig (870) aan de zuidkust en duurzaam (874) in het latere Reykjavik zijn verblijf vestigde, was de Noorweger Ingolf met zijn huisgezin en bloedverwanten. Weldra werd hij door anderen gevolgd. In dezen tijd namelijk trachtte koning Harald Haar jager, nadat hij alle overige koningen van Noorwegen overwonnen had,

de vrije grondbezitters tot zijn pachters te malven, waarom velen de wijk naar elders, meest naar IJsland, namen. Aanvankelijk stonden meest priesters aan het hoofd der afzonderlijke nederzettingen, na de vereeniging van deze afzonderlijke deelen ontstond er eenaristocratisch-republikeinscherepubliek. De grondslag werd hiervoor in 930 gelegd door de wetgeving van Ulflot, die van kracht was voor het geheele eiland en door stichting van het Althing, een vergadering, bestaande uit de bekwaamste mannen, uit alle distrikten, die onder het voorzitterschap van den wetshandhaver eiken zomer gedurende 14 dagen op de groote Thingvallavlakte de hoogste rechtbank vormde en over de gewichtigste aangelegen!: eden van het land beraadslaagde. Daarenboven had men sedert 965 een aantal dergelijke vergaderingen voor de afzonderlijke distrikten en hieraan werd in 1004 een afzonderlijk hooggerechtshof (Njal) toegevoegd. Het Christendom, reeds door de eerste bewoners beleden, werd in het jaar 1000 door een besluit van het Althing ingevoerd, eenigen tijd later stichtte men bisschopszetels te Holar en Skalholt. Reeds vroeg ondernamen de IJslanders reizen naar het noorden en ontdekten in 982 Groenland en ongeveer in 1000 een gedeelte van Amerika, dat men Helloeland, Markland en Vinland noemde. De bloei van IJsland bereikte het toppunt in het midden der 12de en in den aanvang der 13de eeuw, doch tengevolge van den onderlingen naijver der aanzienlijken gehikte het Hakon V, koning van Noorwegen, in 1262 een vereeniging van het eiland met Noorwegen voor te bereiden, die in 1264 onder Magnus VI tot stand kwam. Met Noorwegen kwam het in 1380 aan Denemarken. In 1294 was de handel met IJsland aan alle vreemdelingen verboden, in het begin van de 15de eeuw kregen Engelsche smokkelaars er invloed en sedert 1450 ontstond een levendig handelsverkeer met de Duitsche Hanzesteden. In 1602 werd de handel ten gunste van de Deensche koopheden gemonopoliseerd. Tegen het einde der 14de eeuw kwamen kunst en wetenschap er meer en meer in verval, doch zij begonnen in 1540 bij de invoering der Hervorming weder te bloeien. In de 17de eeuw had het eiland zeer van Algerijnsche zeeroovers te lijden. In de 18de eeuw werd het eiland 43-maal door misgewas en 18maal door hongersnood geteisterd, waardoor de bevolking belangrijk afnam. Toch ontstonden er in het midden van de 18de eeuw een aantal genootschappen. die veel bijdroegen tot de ontwikkeling van het volk. In 1809, gedurende den oorlog tusschen Engeland en Denemarken, maakte een overgeloopen Deensch matroos Jörgen Jörgcnson, die met een gewapend koopvaardijschip naar Reykjavik vertrokken was, zich meester van de stad en van het hoogste gezag aldaar, doch werd door de Engelschen na verloop van l1/,, maand verdreven. Van 1810—1814 werd IJsland beschouwd als een met Engeland bevriend land, in laatstgenoemd jaar werd het met Denemarken hereenigd. Na dien tijd nam de sterknationale, anti-Deensche strooming, die tengevolge van de absolute wijze van regeeren van Denemarken in verband met den slechten economischen toestand van de bevolking langzamerhand was ontstaan, snel ■ toe. Aan het hoofd van deze richting stond Jon Si, gurdsson. In 1843 werd het Althing, dat gedurende de laatste eeuwen weinig invloed had gehad en in ! 1800 geheel was afgeschaft, als een provinciale ver, gadering met een raadgevende stem hersteld; in 1851

Sluiten