Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. Overigens bevatten bijna alle mineralen en gesteenten sporen van ijzer. Zeer algemeen hebben zij hun roode, gele, bruine, donkergroene tot zwarte kleuren aan ijzerverbindingen te danken. Ook in bouwaarde, alsmede in bron- en zeewater komt het voor. Eindelijk is het een bestanddeel van de organische wezens; met name treedt het op in bladgroen en in de roode kleurstof van het bloed.

Zuiver ijzer wordt verkregen door reductie van ijzeroxied door waterstof. Ligt de temperatuur daarbij beneden die van roodgloeiliitte, dan ontstaat het in den vorm van een zwart, pyrofoor poeder, dat aan de lucht van zelf vlam vat en oxydeert. Compact, zuiver ijzer is bijna zilverwit; het heeft een fraaien metaalglans, vertoont een geschubde, somtijds kristallijne breuk, kan gemakkelijk gepolijst worden, laat zich tot draad trekken en dun uithameren en kan bij roodgloeihitte geweld worden. Zijn soortelijk gewicht bedraagt 7,88, zijn smeltpunt ligt bij ongeveer 1600° C. Het geleidingsvermogen voor electriciteit is belangrijk geringer dan dat van koper en zilver. In droge lucht en in luchtvrij water is het onveranderlijk; in vochtige lucht ontstaat ijzeroxiedhydraad, dat echter geen samenhangend laagje vormt, waardoor het roesten steeds verder gaat. Bij verhitting aan de lucht vormt zich aan de oppervlakte ijzeroxyduuloxied, dat door hameren loslaat (hamerslag). Met verdunde zuren geeft het onder waterstofvorming meestal oxvduul- of ferrozouten. Met de halogenen \ erbindt het zich rechtstreeks.

Daar ijzer zoowel twee- als driewaardig kan wezen, vormt het twee reeksen van ijzerverUndingen. IJzerzouten,waarin het ijzer als tweewaardig metaal optreedt, noemt men ferro- of oxyduulverbindingen ; zij kunnen worden afgeleid van ijzeroxyduul (Fe O). Zouten, waarin het ijzer driewaardig is, heeten ferriof oxydverbindingen; zij kunnen van ijzeroxyd (Fe2 03) worden afgeleid.

Voor den plantengroei op aarde is het ijzer van overwegende beteekenis. Zonder ijzer is het assimilatieproces der planten onmogelijk. Bij de dieren treedt het in de haemoglobine op als drager van de oxydatieprocessen in het bloed. Ook als geneesmiddel speelt ijzer in den vorm van staalpraeparaten een belangrijke rol.

De metallurgie van het ijzer is in beginsel zeer eenvoudig. Zij berust op het vermogen van koolstof om bij hooge temperaturen de oxieden van het ijzer te reduceeren. Dit reductieproces heeft plaats in hoogovens. Vooraf echter worden de ijzerertsen geroost. Dit geschiedt om vluchtige stoffen, als water, koolzuur, zwavel, arsenicum enz. te verwijderen en om hen losser te maken. Al naar den aard van het erts en het doel, dat men zich voorstelt te bereiken, heeft het roosten anders plaats. Koolhoudende ertsen stapelt men op hoopen, welke van onderen worden aangestoken en die daarna van zelf verder branden. De ertsen verliezen daarbij 26-45% van hun gewicht; het roosten heeft echter zeer grondig plaats. Koolstofvrije ertsen omgeeft men, om'de warmte volledig tot uitwerking te doen komen, met lage muren, waarin trekgaten zijn aangebracht. Vooral bij zwavel houdende ijzerertsen vindt deze methode toepassing. Het meest echter maakt men gebruik van zoogenaamde roostschachtovens van verschillende constructie. Komt het in hoofdzaak aan op sterk gloeien van de ertsen om water, koolzuur enz.

te vervluchtigen, maar minder op de oxydeerende werking van de lucht, dan stapelt men afwisselend lagen erts en goedkoope brandstoffen in de ovenschacht opeen en steekt daarna de laatste aan, terwijl men nieuw materiaal instort, telkens als een partij afgerooste ertsen uitgehaald wordt. Als type van deze ovens, welke in inwendigen vorm (cylindrisch, conisch, buikvormig enz.) in het voorhanden zijn of ontbreken van een rooster (trappen-, zadel- enz. rooster) alsmede in verschillende andere opzichten nog kunnen verschillen, kan de rooslschachloven van Siegener (fig. 1) beschouwd worden. Hij bestaat uit een kegelvormigen oven van 17 kub. m. inhoud, welke op zekere hoogte boven den beganen grond van de smelterij wordt gebouwd. Naar de bovenste opening loopt een paar rails. De mantel is van plaatijzeren inwendig voorzien van een voering van vuurvaste steen; boven en beneden is hij met gietijzeren ringen versterkt, terwijl hij door drie gietijzeren steunsels gedragen wordt. De ertsen vallen vrij uit den roostoven en worden van terzijde weggehaald. Is er bij het roosten een krachtige oxydatie noodig, dan verdient het, zooals de ervaring geleerd heeft, zoowel met het oog op de kosten, als de hoedanigheid van het afgerooste erts, aanbeveling om de uit de hoogovens ontwijkende gassen als brandstof te gebruiken. Dergelijke gasovens, welke in grootere afmetingen het eerst in Noorwegen en Zweden werden gebouwd, zijn door de toepassing van blaaswerktuigen tot aanvoering van lucht door den Zweed Westman zeer verbeterd. Deze gasroostovm van Westman (fig. 2) bestaat uit een ongeveer 7 m. hooge ovenschacht. Door het laadkanaal b, dat met een klep kan worden gesloten, worden de ertsen in den trechter c gestort; deze kan van buiten af met een stang worden bewogen. Uit den trechter vallen zij juist in het midden van den roostoven, waarbij de grootere stukken in zijn as blijven liggen, wat het roostingsproces ten goede komt. Door e wordt het hoogovengas aangevoerd; het treedt op 12 plaatsen k aan den omtrek van den oven bi nnen; het voert lucht aan, die door middel van 24 kleine openingen het kransvormige draagijzer f van de kernschacht bereikt, waar zij zich innig met de brandbare hoogovengassen vermengt; i is één van de zes uithaalopeningen, terwijl 1 en m openingen zijn tot het doorlaten van breekstangen, wanneer in den oven verzettingen hebben plaats gevonden; o zijn kijkgaten, n is de schoorsteen. Een oven van 6,59 m. hoogte roost 45 000-60 000 kg. erts per etmaal. Is het bedrijf in volle werking, dan wordt elke 1-1,5 uur het erts uitgehaald.

Nadat de ertsen aldus zijn voorbereid, worden zij verder tot ruwijzer verwerkt, dat dan later op zijn beurt in smeedijzer of staal wordt omgezet. Deze methode vormt den grondslag van de tegenwoordige massaproductie in de ijzerindustrie. Zij schept de mogelijkheid om een gelijkmatig produkt van bepaalde samenstelling te verkrijgen en heeft besliste voordeelen boven de oude rechtstreeksche bereiding van smeedijzer en staal uit de ertsen. De verwerking der ertsen tot ruwijzer hoeft plaats in een hoogoven. Het komt er daarbij op aan om bet gevormde, metallieke ijzer te beschermen tegen de oxydeerende werking van de lucht, welke wordt aangevoerd om het hoogovenproees te onderhouden. Dit bereikt men door het te bedekken met een zoogenaamde slak, bestaande uit kalk, aluinaarde

Sluiten