Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en kiezelzuur. Er dient dus op te worden gelet, dat v deze stoffen naast de ertsen voorhanden zijn en v bovendien in de goede verhouding, opdat de slak s den juisten graad van smeltbaarheid bezitte. Ook d moet rekening gehouden worden met de asch van n de brandstoffen, welke, als zij niet met de ertsen en v den toeslag een slak zou kunnen vormen, het hoog- c ovenproces zou stop zetten.Sommige ertsen bevatten 1 zelf de noodige stoffen voor de slakvorming. Meestal g echter is dit niet het geval. Is het erts in zulk geval / rijk aan kiezelzuur of aluinaarde dan neemt men als i bijmengselen, toeslag geheeten, kalksteen of dolo- \ miet, terwijl omgekeerd bij ertsen met veel kalk en i magnesia kwarts of kleischiefer als toeslag ge- < bruikt wordt. Somtijds ook weet men door men- 1 ging van verschillende soorten erts zonder toeslag 1 een smeltbare slak te doen ontstaan. Als brandstof 1 in den hoogoven gebruikte men vroeger algemeen ' houtskool. In Zweden, Stiermarken, Hongarije, aan i den Oeral en in N.Amerika zijn ook thans nog houts- i koolhoogovens in gebruik. De tegenwoordige massaproductie werd echter eerst mogelijk door de toepassing van cokes. Ruwe steenkool kan alleen gebruikt worden als zij voldoende hard is en niet bakt. Hoe dichter en vaster de brandstof is, des te hooger kan de hoogoven gebouwd worden, zonder dat vrees behoeft te worden gekoesterd, dat de ertszuil de brandstof fijn zal drukken. Daarmede gepaard gaat dan een meer volledige aanwending van de ontwikkelde warmte. Uit dien hoofde zijn de cokeshoogovens hooger dan de houtskoolhoogovens. De lucht, welke voor het verbrandingsproces in den hoogoven noodig is, wordt onder een druk van 0,2 1 kg.per v. km. door een blaaswerktuig aangevoerd. Tegenwoordig wordt zij als regel vooraf op 700800° C. verhit. Daardoor bereikt men een meer intensieve verbranding en een hoogere temperatuur, gepaard gaande met een aanmerkelijke brandstofbesparing (20 %), alsmede een verhoogde productie. Onder normale verhoudingen en wanneer het ijzergehalte der ertsen niet beneden 35% gaat, heeft men voor de bereiding van 100 kg. grauw ruwijzer ongeveer 100-116 kg. houtskool of 120130 kg. cokes noodig. Bij de bereiding van wit ruwijzer is dikwijls het '/io van deze hoeveelheid brandstof voldoende. Onder ongunstige verhoudingen (arme en moeilijk reduceerbare ertsen, koude lucht) kan de dubbele hoeveelheid noodig zijn.

Een cokeshoogoven van de nieuwste constructie, eea zoogenaamde Engelsche cokeshoogoven, is afgebeeld in fig. 3. Hij bestaat uit het gestel a, waarboven zich twee kegelvormige schachten b en c bevinden, welke met haar basis samenvallen. De wanden zijn gemaakt van vuurvaste steen. Daar echter de beste vuurvaste steen slechts korten tijd tegen de inwerking van de hitte en de slak bestand is, worden de wanden van den oven zooveel mogelijk door lucht en water afgekoeld. De wanden van a en b zijn daarom met talrijke metalen mantels omgeven, waardoor voortdurend koud water stroomt. Toch worden de wanden en de grondsteen 1 door de slak dikwijls zeer verzwakt en men heeft daarom op deze plaatsen de vuurvaste steen met voordeel door cokes vervangen, die alleen door het ijzer wordt aangetast. Voor den schachtwand van <■ is een luchtkoeling voldoende.Deze schacht mondt uit in dea vul trechter f, dien een klok afsluit. Wordt deM omhoog getild, dan komt er een spleet vrij,

waardoor de lading kan plaats hebben. De gassen, welke bij het reductieproces in den hoogoven ontstaan en die, zooals wij zagen, worden gebruikt om de ertsen te roosten, worden afgeleid langs h, waarmede i in verbinding staat; m is een stelling, van waar af de hoogoven gevuld wordt. Ook draagt zij de kragen n, waarop de schacht c rust. De windleiding o en haar vertakkingen r worden eveneens gedragen door kragen, bevestigd aan de stelling m. Zij is met haar vertakkingen ingemetseld. De vormen e bestaan uit dubbelwandige bronzen buizen, welke door water worden afgekoeld. De hoogte van de cokeshoogovens bedraagt meestal 15-20 m., zelden meer. Houtskoolhoogovens varieeren in hoogte tusschen 7,85 en 9,98 m.; bij zeer vaste houtskool komen hoogten tot 16 m. voor. De wijdte van de hoogovens is in den laatsten tijd zeer toegenomen, waarmede ook de productie is vermeerderd. De grootste afmetingen zijn in het gestel a 3.14 m., op de grens der beide schachten 9,41 m. en in den vultrechter 6,28 m. De dagproductie bedraagt bij cokeshoogovens 15000-100000 kg., bij de nieuwere wisselt zij meestal af tusschen 50000 en 70000kg.; somtijds bereikt zij 90 000 kg. Bij houtskoolhoogovens beweegt zij zich tusschen 10 000 en 40 000 kg.

Bij het laden van den hoogoven wordt nu afwisselend een laag ertsen, gemengd met toeslag van 6000-10000 kg., en een laag cokes van 2000-4000 kg. in den trechter f gestort. Dit vullen heeft bij cokeshoogovens plaats met behulp van kipkarretjes, welke op rails loopen. Bij houtskoolhoogovens gebeurt het met manden, kruiwagens enz. Naarmate in het benedenste gedeelte van den hoogoven de cokes verbrandt en ertsen en toeslag smelten, zakken de lagen in de hoogovenschacht en worden zij verhit. Eerst verliezen zij haar vocht, dan het scheikundig gebonden water en verder naar beneden het koolzuur, afkomstig uit niet geroost spaatijzersteen en ongebrande kalk. De lucht, welke door de vormen e toetreedt, komt in aanraking met witgloeiende cokes en verbrandt deze tot koolzuur. Omhoog stijgende, wordt dit in de hoogere cokeslagen gereduceerd tot kooloxied, dat bij temperaturen hooger dan 1000° C. het ijzeroxied reduceert tot ijzer, onder gelijktijdige vorming van koolzuur. Intusschen kan niet al het aanwezige kooloxied ijzeroxied reduceeren. Bo vendien wordt het gevormde koolzuur in aanraking met gloeiende cokes opnieuw gereduceerd tot , kooloxied. Daarom zijn de gassen, welke uit denhoog-

■ oven ontwijken, rijk aan kooloxied en daardoor als

■ warmtevoortbrenger uitermate geschikt. Door deze

■ reductie ontstaat een sponsachtig ijzer, dat in de

■ aardachtige bijmengselen verdeeld blijft. Naar ber neden dalend, begint het bij ongeveer 1000° C. ï koolstof op te nemen, waarmede het zich bij ongeveer 1400 ° C. verzadigt. Deze koolstof ontstaat door

: reductie van kooloxied door ijzeroxyduul. Daardoor ï wordt het ijzer smeltbaar. In het heetste gedeelte - van het gestel, waar de verhitte lucht toetreedt, ,. gaat het dan met de slakvormende stoffen in den e vloeibaren toestand over. In den haard drijft de ï soortelijk lichtere slak op het vloeibare ijzer en beil schermt het aldus tegen oxydatie door de toetrer dende lucht. Men streeft er naar om door gepaste s verhoudingen tusschen brandstof, ertsen en toet slag te bereiken, dat, zonder dat ijzer in de slak wordt t opgelost, het ruwijzer gevormd wordt, dat men j, wensclit te produceeren. Zoodra de hoogoven in

Sluiten