Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking is getreden, wordt het laden met afgewogen hoeveelheden brandstof en met het mengsel van ertsen en toeslag onafgebroken voortgezet. De slak vloeit uit een opening, welke een weinig beneden de vormen gelegen is, in ijzeren wagens, die op rails loopen. Ook leidt men de vloeibare slak in koud water, waardoor slakkenkies onMaat, welke gemakkelijk kan worden vervoerd. Het ruwe ijzer, dat zich in den haard verzameld heeft, wordt gewoonlijk afgestoken, doordat men een opening, vlak boven den grondsteen gelegen en met zand of klei afgesloten, open steekt en het vloeibare metaal opvangt in gietpannen, in zand- of ijzervormen enz. Dikwijls wordt het ook opgevangen in groote, gemetselde pannen, om nog vloeibaar tot staal te worden verwerkt.

De eigenschappen van bet aldus bereidde ruwijzer hangen af van de lading, de temperatuur van den hoogoven en van den aard van het bedrijf. Witruwijzer, zilverwit van kleur,zeer hard en broos, glanzend en met een soortelijk gewicht van 7,58-7,68, ontstaat in het algemeen uit gemakkelijk reduceeren smeltbare ertsen, wanneer in het heetste gedeelte van den hoogoven, vóór de vormen, de temperatuur niet belangrijk hooger is dan die van het smeltpunt van het ter plaatse gevormde koolijzer en wanneer dit buiten den hoogoven snel wordt afgekoeld. Het bevat de koolstof alleen scheikundig gebonden en heeft een zeker gehalte aan mangaan. Worden zuivere ertsen gebruikt, is de smeltmassa door een zeker gehalte aan mangaan in voldoende mate lichtsmeltbaar en is bovendien de temperatuur zóó hoog, dat het ijzer zich geheel met koolstof verzadigen kan, dan ontstaat een sterk glanzend, wit, zeer hard en broos, kristallijn produkt met het hoogst voorkomende koolstof gehalte (tot 6%), het spiegelijzer. Het wordt vooral uit mangaanhoudenden spaatijzersteen bereid en vindt wegens zijn zuiverheid en mangaangehalte (tot 20%) toepassing in de staalindustrie. Wit ruwijzer met kleiner koolstofgehalte is het uritstaal met hoogtens 4,5% mangaan, het materiaal voor het puddelovenproces, wanneer het 2-3% phosforus bevat Thomasruwijzer geheeten; het heeft een koolstofgehalte van 3-4%. Witkorrel heeft een koolstofgehalte van 2-3 en een mangaangehalte van hoogtens 1,5 %; het vertoont reeds sommige verschijnselen van staal. Ferromangaan heeft een mangaangehalte van meer dan 20%. Grauw ruwijzer is helder tot donker zwart grauw van kleur. Korrelig van breuk en minder hard dan wit ruwijzer, heeft het een gemiddeld soortelijk gewicht van 7,0. Het ontstaat, wanneer met koolstof verzadigd ijzer op de plaats in den hoogoven, waar de lucht toetreedt, belangrijk boven zijn smeltpunt verhit en daarna langzaam afgekoeld wordt. Slechts een gedeelte van de koolstof is scheikundig gebonden; de rest is in den vorm van grafiet met liet ijzer vermengd en geeft het zijn donkere kleur. Deze is te donkerder, naar mate de temperatuur hooger was. Bovendien bevat het meer of minder groote percentages silicium. Naar het gehalte aan silicium onderscheidt men hier lichlgrauwijzer, grauwijzer, zwartijzer en jerrosilicium met een siliciumgehalte van resp. 0,5%, hoogstens 3%, hoogstens 5% en eindelijk van meer dan 5%. De overgang tusschen wit en grauw ruwijzer wordt gevormd door het zoogenaamde gehalveerde ruwijzer.

De beide hoofdruwijzersoorten verschillen van

elkander in sommige, voor de techniek zeer belangrijke eigenschappen. Wit ruwijzer is in hooge mate hard en broos; het kan door boren, zagen, vijlen en draaien niet worden bewerkt. De smeltpunten van de verschillende soorten wit ruwijzer loopen eenigszins uiteen en liggen tusschen 1050° en 1100° C. Na het smelten is het dik vloeibaar en taai en daarom voor het gieten minder geschikt. Grauw ruwijzer daarentegen is betrekkelijk zachter; het kan gemakkelijk bewerkt worden. Ligt het smeltpunt al hooger, bij 1100°—1275° C., na het smelten is het dun vloeibaar en daarom voor het gieten van Yoorwerpen bijzonder geschikt.

De ruurijzerproductie heeft zich in de laatste 50 jaren nagenoeg verviervoudigd. Een overzicht geeft de volgende tabel:

Ruwijzerproductie in 1000 ton.

Landen.

1870 I 1890 [ 1900 | 1901

Groot-Brittannië .. 6 059 8 031 9 052 7 886

Duitschland 1391 4658 8 521 7880

Frankrijk 1178 1 962 2 699 2 389

België 563 788 1019 764

Rusland 358 746 2 878 2 801

Zweden 300 456 519 513

Oostenrijk - Hongarije... 403 965 1 312 1 481

Spanje — 232 290 294

Italië — 13 24 16

Andere landen — 25 20 20

Europa — jl7 876 26334 24044

Vereenigde Staten

van N.-Amerika 1693 9 348 14010 16132

Canada — — 88 249

Andere landen der

aarde 150 82 600 635

Totale productie.. 12 095 27306 41032 '41060

Deze algemeene ontwikkeling was echter geen regelmatige, maar werd onderbroken door sterke schommelingen. Van 1840—1860 had de snelle uitbreiding van de spoorwegen een verdubbeling van de productie tengevolge, welke zich in 1873 herhaalde. Daarna trad echter een teruggang in, gepaard met een zeer belangrijke vermindering der productiekosten. Een nieuwe stijging werd van 1878 —1880 ingeleid door de Vereenigde Staten van N. Amerika; in één jaar (1879—1880) nam de voortbrenging met 4125 millioen kg. toe. Zij ging gepaard met een nieuwe vermindering van de productiekosten en eindigde met overproductie, welke in 1884—1885 leidde tot beperking van de voortbrenging. De grootere aanleg van burgerlijke werken, alsmede de reusachtige uitbreiding van oorlogsmateriaal spiegeltzich af in het feit, dat de ruwijzerproductie in 1890*die van 1870 met 126% overtreft. Haar hoogtepunt bereikte deze periode in Europa in 1900; toch nam de wereldproductie in 1901 nog toe, door de verhoogde voortbrenging van N. Amerika. De inwendige ontwikkeling van het hoogovenbedrijf staat in het teeken van grootere productiviteit en daarmede gepaard gaande vermindering in

Sluiten