Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staalsoort onbruikbaar. Phosforus (koudbroos) daarentegen heeft op het staal een grooteren invloed dan op smeedijzer; hij neemt bovendien met het koolstofgehalte toe. In vloeistaal werkt phosforus schadelijker dan in weistaai. Het hoogst toelaatbare gehalte schijnt bij het Bessemerstaal 0,1% te bedragen. Silicium maakt staal hard, broos en beter smeltbaar, daarentegen minder vast en welbaar. Ook hiervan neemt de invloed toe met het koolstofgehalte. Bij staal voor spoorwegrails mag het siliciumgehalte de helft van dat van koolstof bedragen; bij werktuigen nog meer.

Door de invoering van het Bessemerproces is de productie van weiijzer in omvang afgenomen, daar het vloeiijzer goedkooper kan worden geleverd. Terwijl dan ook de wereldproductie van weiijzer in 1888 : 8,25 millioen ton bedroeg, was zij in 1895 gedaald tot ongeveer 3,5 millioen ton. Van de ontwikkeling der vloeiijzer (staal-) productie geeft de volgende tabel een overzicht:

Productie in tonnen.

Landen.

1870 1890 1891

i i

Groot-Bnttan-

nië | 286 797 3 637 381 5 080 000

Duitschland ... 169 951 1 613 783 6 394 222

Frankrijk 94 386 581998 1465071

Oostenrijk-Hongarije 28 991 499 600 1003 016

Zweden 12193 169 287 269 897

Rusland 8 647 378 424 1 815 000

België 4321 221296 526 670

Italië — 107 676 123 310

Spanje — 75 255 , 122 954

Yereenigde Sta- ^

ten van N.Amerika .... 68 057 4 346 932 13 689173

Totaal .. — |ll 631 632 30 489 313

De geschiedenis van het ijzer is zeer oud en met de mythologie samen gevlochten. Een stuk smeedijzer, gevonden in het metselwerk van de Cheopspyramide is 5000 jaar oud; een stuk van een sikkel, gevonden onder een sphinx in Karnak wordt op 2800 jaar geschat. Ook inscripties uit den tijd van Tuthmosis III en in de tempels te Luksor en Karnak bewijzen, dat het ijzer reeds vroeg in Egypte bekend was. Dat de Egyptenaren ook stalen werktuigen hebben bezeten, wordtwaarschiinlijk door hun beeld¬

houwwerk in graniet, porfier en basalt. Wellicht

nog oudere ijzeren voorwerpen heeft men in ioeran in graven, in de ruïnen van Chorsabad enz. gevonden.

Ook de oude Joden kenden net ijzer, wat uit verschillende Bijbelplaatsen (bijv. Job. 28 :2) blijkt. De zangen van den Ringveda spreken van ijzeren wapens. Aan de Ariërs ontleenen de Babvloniërs, de Assyriërs, de Meden en de Perzen de kennis van het ijzer. Quintus Curtius verhaalt, dat Porus aan Alexander den Groote een staaf Indisch staal van 15 kg. schonk. Van de oerbewoners van China is een 13 m. hooge, gegoten ijzeren pagode bekend (700 jaar v. Chr.) De Phoeniciërs leerden den Grieken het gebruik van het ijzer. De Ilias vermeldt den ijzeren

knods van Areithoos, den pijl van Pandaros, de assen van den wagen van Hera enz. Hoe de oude volkeren van het Oosten het ijzer bereidden, is niet bekend. Arisloteles spreekt van ruwijzer, dat door frisschen in smeedijzer werd omgezet. Gegoten werd het ijzer echter door Grieken en Romeinen niet. De laatste exploiteerden reeds 100 jaar v. Chr. de ijzermijnen op Elba en te Noricum. Na de Volksverhuizing onstond omstreeks 700 n. Chr. voor het eerst weder een begin van ijzerindustrie in Stiermarken. Vandaar verspreidde zij zich in de 9de eeuw over Bohemen naar Saksen, Thuringen en den Harz, Z. waarts ook naar Spanje, den Elzas en den Beneden Rijn. In de 12de eeuw waren in de Nederlanden de ovens beroemd. Van hieruit deed het ovenbedrijf in de 15dc eeuw waarschijnlijk zijn intrede in Engeland en Zweden. Door de haarden in de 16de eeuw te verhoogen tot 2—2,5 m. en in de 18de eeuw verder tot 4 m. en gelijktijdig blaasbalgen, door waterraderen ge¬

dreven, in werking te stellen, ontstonden de ,,woliovens," welke in Korinthië tot 1775 in gebruik waten. Het produkt was echter nog steeds ongesmolten staalachtig ijzer. Vloeibaar ruwijzer kon men eerst bereiden, toen men de wolfovens hooger optrok tot blaas- en later tot hoogovens. Wanneer deze ontstaan zijn, staat niet vast. Waarschijnlijk zijn zij echter uit de Nederlanden afkomstig. In elk geval worden in de 17de eeuw hoogovens in Saksen, Brandenburg en in den Harz gevonden. Houtskool was nog in de 18de eeuw overal het eenige smeltmiddel. De snelle vermindering van bosschen in Engeland leidde in 1740 tot het in gebruik nemen van een cokeshoogoven te Coalbrookdale in Shropshire door Darby. Op het vasteland werd de eerste cokeshoogoven in 1796 te Gleiwitz gebouwd; in 1826 volgde Seraing. Door de uitvinding van Benjamin Hunts-

man, die in 1 ioU door net omsmelten van cementen haardstaal het dichtere gietstaal bereidde, kwam er een belangrijke verandering in de staalbereiding tot stand. Fr. Krupp begon het proces in 1810 na te volgen, dat evenwel het eerst door zijn zoon Alfred Krupp tot volmaaktheid kwam. Daardoor was men in staat om in 1862 naar de tentoonstelling te Londen een blok gietstaal van 21 000 kg. te zenden en kon in 1887 te Essen een kanon van 143 000 kg. gegoten worden. In 1831 werd het gebruik van verhitte Maaslucht door de Clyde Iron Works ingevoerd terwijl reeds in 1814 de hoogovengassen door Aubertot voor het roosten werden gebruikt.

Van veel beteekenis voor de smeedijzerbereiding was de uitvinding van het puddelen in vlamovens met steenkool. Het eerste Engelsche patent verkregen Th. en G. Cranage in 1766; het eerste praktische succes had echter eerst Cort in 1784. De grootste omwenteling werd in de ijzerindustrie teweeg gebracht door de uitvinding van Bessemer in 1850, waardoor

de bereiding van het belangrijk goedkoopere vioeistaal mogelijk werd. Negen jaar later verkreeg men in de fabrieken vaji Martin te Sireuil vloeistaal door het samensmelten van smeed- en ruwijzer. Zoowel dit procédé als de bereiding van gietstaal waren alleen mogelijk door de generatorgasverwarming, voor het eerst door Bischoff te Magdesprung in 1839 uitgevoerd en door het regeneratorstelsel van Siemens (1860). In 1879 slaagden Thomas en Gikhrist er in om in deBessemer peer ook phosforhoudende ijzerertsen tot vloeistaal te verwerken. Het is op dit gebied de belangrijkste uitvinding van den tateren tijd.

Sluiten