Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rekent men het Slavische en Vikinger'tijdperk (ongeveer 1000—1200) er nog bij.

Ijzerertsen. Zie IJzer.

IJzerfabrikag-e. Zie IJzer.

IJzergaren is een glanzend, sterk geappreteerd, enkel of getweernd, gebleekt of geverfd katoenen garen van buitengewone stevigheid. Het wordt gebruikt om te naaien, maar ook in de weverij en dan veelal als ketting.

IJzer, Gegalvaniseerd. Zie Verzinken.

IJzerg-ieterlj, in algemeenen zin het vervaardigen van gegoten voorwerpen van ijzer, wordt bijna zonder uitzondering gebruikt ter aanduiding van het gieten met een- of tweemaal omgesmolten ruwijzer (gietijzer). Grauw ruw ijzer voldoet in den regel het best; het vult de vormen goed aan en laat zich gemakkelijk bewerken. Wit en gehalveerd ruwijzer dienen voor de bereiding van hard en smeltbaar gietijzer. Phosforhoudend mwijzer wordt voor kunstgieterij gebruikt.

Men onderscheidt hoogovengieterij en smellgieterij. Bij de eerste giet men het ijzer rechtstreeks uit den hoogoven: bij de laatste wordt het gietijzer eerst omgesmolten. Behalve gietijzer worden ook gietijzeren voorwerpen, welke onbruikbaar zijn geworden, opnieuw omgesmolten. Men noemt het ijzer in dezen vorm oud ijzer. De smeltgieterij is thans regel. Het smelten van het ijzer heeft plaats in smeltkroezen

voor kleine gietFig. 1. stukken, vooral

voor die van smeedbaar gietijzer. Grootere blokken ijzer worden in vlamovens, welke een lading van 2,5—12,5 ton hebben, gesmolten. Het meest gebruikelijk is echter de koepeloven. Een gewone koepeloven (fig. 1) bestaat uit een cylindervormige schacht A,waarin door de opening G het materiaal kan worden gestort. In den haard C verzamelt zich

het gesmolten ijzer, dat door de opening a kan worden afgestoken, waarna het

door de goot R wegvloeit. D is de werkdeur en E de schoorsteen, waardoor de verbran¬

dingsgassen worden afgevoerd. De schacht, ter hoogte van 3—6 m., bestaat uit vuurvaste steen en is omgeven door een plaatijzeren mantel M. Tusschen beide bevindt zich een ruimte van 12—18 m.m. om afkoeling tegen te gaan en uitzetting van het metselwerk mogelijk te maken. De bodem van den haard, welke naar het afsteekgat a helt, bestaat uit een laag vast zand van

Koepeloven.

15—20 cm. dikte. Als brandstof dient bijna uitsluitend cokes. Afwisselend worden lagen cokes en ijzer ingestort. Bij het smelten wordt Maaslucht door de leiding L naar den windring P geperst, van waar zij door 2—8 vormen F zoo gelijkmatig verdeeld in den oven komt, dat de kern van het verbrandingsproces in de as van den oven ligt. Vóór het gebruik wordt de oven verwarmd. In den haard ontsteekt men een houtvuur, waarop langzamerhand cokes wordt geworpen tot op een derde van de schachthoogte. Daarna komt de eigenlijke lading. Op 1000 kg. ijzer rekent men in het geheel 70—120 kg. cokes. Gemiddeld neemt men de afmetingen aldus, dat bij volledig bedrijf 2000—3000 kg. ijzer gesmolten kan worden. Voor iedere 1000 kg. gesmolten ijzer per uur is, bij een luchtdruk van 400 mm. water, een schacht doorsnede van 700 v. km. noodig. De talrijke afwijkingen van dit type, waaronder wij de koepelovens van Krigar en van Herbertz noemen, onderscheiden zich slechts in onderdeelen van de hier beschrevene.

De vervaardiging van gietijzerwaien zelf heeft plaats, door het gesmolten gietijzer uit den giellepel of gietpan (zie Gieten) in den gietvorm (zie Gieten) te gieten. Het gesmolten ijzer wordt afgestoken, waarna men het tot de juiste temperatuur laat afkoelen. De kleinere gietlepels worden met de hand naar de gietvormen vervoerd, de grootere gietpannen door middel van kranen. Zij worden vóór het gebruik verwarmd. Het gieten moet zonder onderbreking geschieden. Ook moet daarbij worden zorg gedragen, dat de gassen, welke zich vormen, snel en tijdig worden ontstoken. Bij de gewone wijze van gieten kan als regel niet worden voorkomen, dat lucht en slak, zoogenaamd schuim, wordt meegesleurd. Daardoor ontstaan dan echter veelal slechte, ongelijkmatige plaatsen en poriën in het gietstuk. Om dit te vermijden, maakt men gebruik van een afsnijder, een ovaalvormig vat van vuurvaste klei, waarin 3 tusschenwanden zijn aangebracht. Deze reiken niet tot op den bodem, zoodat de 4 aldus gevormde kamers aan de onderzijde met elkander in verbinding staan. Deze ajsnijder (fig. 2) wordt nu Fig. 2.

zoo op den gietvorm ge¬

zet, dat de opening in den bodem van de kleinste kamer a juist bovenhet gietgat o staat. Het gesmolten metaal wordt in b gegoten; liet loopt onder de drie tusschenwandendoor, welke het schuim opvangen. De uit den gietvorm genomen voorwerpen worden ontdaan van aanklevend materiaal van den vorm; de gietnaden enz.

worden afgehakt of afgeslepen. Voor sommige doeleinden worden zij weeker gemaakt door ontlaten in de gloeihitte; ook worden zij door gloeien in zuurstofhoudend materiaal somtijds aan de oppervlakte ontkoold en aldus omgezet in smeedbaar gietijzer (zie IJzer). De ijzergieterij levert machinedeelen, buizen voor gas-, water- en andere leidingen, kachels, trappen, tuinmeubels, hekken, monumenten enz.

Óver het gebruik van gietijzer in de Oudheid bestaan slechts vermoedens. In China heeft men reed§

Afsnijder.

Sluiten