Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groothandelaren geleverd, die ze aan de beurs verhandelen. Het meeste klaverzaad levert Silezië. De Russische Oostzeeprovincies, vooral Riga, leveren lijnzaad, Schotland en N. Amerika zaai- en andere graszaden. Boschbouwzaden komen in groote hoeveelheid uit Hessen en Tliuringen, ofschoon het streven merkbaar is om uitsluitend inlandsch zaad te gebruiken. Bosch- en tuinbouwzaden, welke in ons klimaat niet met zekerheid tot volle rijpheid komen, worden aangevoerd uit Frankrijk en Italië, met name uit de streek om Napels en uit N. Amerika. Nederland en Denemarken leveren veel bloem- en koolzaad, verder brengt ons land vooral lijnzaad en specerij zaden, b.v. mosterd en karwei, voort.

De cultuurzaden worden op velerlei wijze vervalscht, doordat minderwaardig zaad onder het betere wordt gemengd, doordat een andere variëteit of zelfs een andere soort dan de gevraagde wordt geleverd, en eindelijk doordat oud zaad, dat men door kunstbewerkingen het aanzien van prijswaardig zaad heeft gegeven, in den handel komt. Daartegen beveiligt men zich het best, door het zaad te koopen onder controle van de rijksproefstations, tot wier functies o. a. de zaadcontröle (zie aldaar) behoort.

Zaadknop (Ovulum) is bij de phanerogamen de naam van de vrouwelijke organen, die alleen of verschillende gelijktijdig aan de vruchtbladeren van de bloem optreden en de eicel bevatten. Bij de angiospermen is hij door den vruchtknop omgeven, bij de gymnospermen daarentegen bevindt hij zich vrij op de oppervlakte der vruchtbladeren. Hij bevat den embryozak (zie aldaar), waarin het eigenlijke geslachtsorgaan tot ontwikkeling komt. De zaadknop (zie de afb.) is een klein, bolvormig lichaampje, dat nog met het bloote oog valt waar te nemen en waaraan men de volgende deelen kan onderscheiden:

Zaadknoppen in doorsnede.

A. Atrope, B. Anatrope, C. Campylotrope zaadknop.

1°. de navelstreng (juniculus) f (fig. B en C), een korter of langer steelvormig orgaan, waarmede de zaadknop aan de zaadlijst (placenta) van het vruchtblad is bevestigd; 2°. de eikem (nucellus) nc (fig. A en C), het hoofdbestanddeel van den zaadknop, waarin de navelstreng zich voortzet. Hun samenhechting ch (fig. A, B en C) heet hagelvlek (chalaza). De eikern is meestal omgeven door: 3". het eihulsel (integumenturn), waarvan er in den regel 2, één uit- en één inwendig, ie en ii (fig. A, B en C) voorhanden zijn en die aan den top van de eikern een opening, den kiemmond (micropyle) m (fig. A, B en C) vormen, waardoor het binnendringen van de stuifmeelbuis in den embryozak wordt mogelijk gemaakt. Bevat de zaadknop2 eihulsels, dan noemt men hem dichlamydeïsch, bevat hij er één dan heet hij monochlamydeïsch. Ten opzichte van hun bouw verdeelt men de zaadknop¬

pen in drie karakteristieke verscheidenheden: bij den atropm (fig. A) liggen navelstreng, hagelvlek en kiemmond in één rechte lijn boven elkander (bijv. bij de Polygonaceeën en de Piperaceeën); liggen daarentegen navelstreng en kiemmond, doordat de eikern en de eihulsels van onderen zijn omgebogen, naast elkander, dan spreekt men van een anatropen zaadknop (fig. 2), terwijl men, wanneer de eikern aldus gekromd is, dat (bijv. bij de Caryophyllaceeën, de Gramineeën enz.) de hagelvlek naast den kiemmond komt te liggen, een campylotropen zaadknop heeft (fig. C). Het meest komen de anatrope zaadknoppen voor.

Zaadleider. Zie Geslachtsorganen.

Zaadplanten of Spermaphyten noemt men de planten met zaadknoppen (zie aldaar), waaruit zich na de bevruchting zaden kunnen ontwikkelen. Linnaeus noemde deze groep phanerogamen of zichtbaar bloeiende planten. Tegenover de groep van de zaadplanten staan de sporeplanten of cryptogamen (zie aldaar). De zaadplanten worden verdeeld in a n giospermen of bedektzadigen, bij welke de zaadknoppen door een omhulsel, het vruchtbeginsel, zijn omgeven, en in gymnospermen ofnaaktzadigen (zie aldaar). De angiospermen, die ongeveer 100 000 soorten omvatten, vormen de grootste groep van het plantenrijk. Zij worden verdeeld in eenzaadlobbigen of monokotyledonen (zie Eenzaadlobbige planten) en tweezaadlobbigen of dikotvledonen (zie Tweezaadlobbigen).

Zaadstreng;. Zie Geslachtsorganen.

Zaadteelt is een tak van den tuinbouw, welke zich toelegt op het winnen van landbouw-, groentenen bloemzaden. Men gebruikt slechts die planten om er zaad van te winnen, welke de gewenschte eigenschappen in de grootst mogelijke mate bezitten, bijv. grootte en vorm van de wortels bij wortelgewassen, vorm der bladeren bij bladgroenten enz. Alleen door zorgvuldige keus van de planten, welke het zaad leveren, de zaaddragers, verkrijgt men de goede eigenschappen der verschillende cultuurvariëteiten. Wat kunstmatige teeltkeus in deze richting vermag, is bij de granen bewezen. De zaaddragers van de verschillende vormen van een soort of ras, dat, zooals bijv. bij de koolsoorten, sterk neigt tot verbastering, moeten beveiligd worden tegen kruisbestuiving.

Bij het kweeken van de zaaddragers moet dun gezaaid worden; de planten moeten op grootere afstanden dan gewoonlijk van elkander gepoot worden, om haar gelegenheid te geven zich naar alle zijden te ontwikkelen. Te voedzame bodem werkt, evenals te schrale, schadelijk. De zaden oogst men, om het uitvallen te verhinderen, kort vóór de volle rijpheid. De vruchten worden ter narijping luchtig en droog bewaard, waarna de zaden op een geschikte wijze van hun omhulsel ontdaan, gereinigd en op een droge en koele plaats bewaard worden. Koude schaadt hen niet, wel al te groote warmte. De zaden van waterplanten moeten in water bewaard worden.

Onder de zaadtelende landen neemt Duitschland de eerste plaats in. Tot de belangrijkste middelpunten behooren aldaar Erfurt en Quedlinburg. Bij ons te lande bepaalt de teelt van tuinbouwzaden zich voornamelijk tot N. Holland in de streek om Enkhuizen. Landbouwzaden leveren vooral Duitschland (Quedlinburg) en Zweden (granen). In ons land worden in Groningen en Zeeland, op een enkele plaats

Sluiten