Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste en tweede slagpen de langste zijn, en een korten, afgeronden staart. Op het noordelijk halfrond van de Oude en de Nieuwe Wereld, in Brazilië en op de Aucklandseilanden komen 6 soorten voor. De groote zaagbelc (M. merganser L.) wordt 80 cm. lang en heeft 110 cm. vlucht; hij is aan den kop en den boven1: als donker groen, boven op den rug zwart, aan de buikzijde geelachtig rood en aan den staart grijs. Zijn snavel is koraalrood, zijn oogen zijn roodachtig geel en zijn pooten lichtrood. Men vindt dezen vogel in het noorden van Europa, Azië en Amerika tusschen 52 en 68°. Hij vertoont zich bij ons wel eens in November en Februari, zonder echter in ons land te broeden. Hij komt bijna altijd in het water voor, is een uitstekend zwemmer en duiker, maar loopt en vliegt minder goed. Hij voedt zich met visschen en is zeer vraatzuchtig. Zijn nest vindt men tusschen steenen en struiken, in weilanden en in holle boomen, waar het wijfje 8 tot 14 groenachtige, bruingrijze eieren legt. Tot de kleinere soorten behooren: de middenste zaagbek (M. senator) en het nonnetje (M. albellus). De eerste van deze komt in kleur met den grooten zaagbek overeen, de laatste heeft een bek en pooten, die groen- of blauwachtig grijs zijn, terwijl het mannetje in zijn prachtgewaad wit is met zwarte vlekken om de oogen, langs de kuif en over de vleugels.

Zaag-visschen (Pristidae). Zie Rogvisschen (Batoedei.,

Zaaibedden zijn bedden, waarop jonge planten tijdelijk worden voortgekweekt, om later naar haar eigenlijke groeiplaats te worden overgebracht. Gewoonlijk liggen de zaaibedden bijzonder gunstig, waardoor de jonge, teere plantjes in de jeugd de noodige beschutting verkrijgen. Verder bieden ze het groote voordeel, dat ze aan veel jonge planten tijdelijk een plaats kunnen geven. Daar ze meestal een beperkte oppervlakte beslaan, is het voor den kweeker mogelijk aan de bewerking enz. van deze bedden bijzondere zorgen te wijden.

Zaaien, d. i. het in den grond brengen van zaad voor de ontwikkeling van een nieuw gewas, kan in het algemeen op drie wijzen worden uitgevoerd. Er kan worden gezaaid: in 't wild, of in H breede, waarbij het zaad in 't wild, doch zoo regelmatig mogelijk, over het veld wordt uitgespreid; op rijen, waarbij het zaad in rijen wordt gestrooid; in verband, waarbij het op regelmatige afstanden iil den grond wordt gebracht. Elk dezer methoden kan óf met de hand, óf machinaal worden uitgevoerd. (Zie Zaaiwerktuigen). Aan het zaaien in het wild zijn de bezwaren verbonden, dat daarbij nimmer een regelmatige verdeeling van het zaad over den grond kan worden verkregen en dat het evenmin gelijkmatig kan worden ondergebracht. Een ongelijkmatige ontwikkeling en rijping van het gewas is daarvan het gevolg. Bovendien wordt daarbij meer zaaizaad vereischt. Het zaaien kan daarbij echter sneller, gemakkelijker en goedkooper worden uitgevoerd. Aanbevelenswaardig is het zaaien in het wild voor voedergewassen en vlas. Voor de meeste andere gewassen is het zaaien op rijen meer aanbevelenswaardig. Daarbij wordt een meer regelmatige verdeeling en onderbrenging van het zaad en daarmede een meer gelijkmatige en zekere aanslag en tevens een meer regelmatige groei en rijping verkregen. Bovendien is daarbij de opbrengst aan korrels, zoowel naar kwantiteit als naar kwaliteit in den regel beter, terwijl met een geringere

XVI

hoeveelheid zaaizaad kan 'worden volstaan. Rijenzaaiing geeft verder het voordeel, dat het gewas gedurende den groei kan worden behakt, terwijl een eventueel daaronder gezaaide ondervrucht, zooals klaver, zich daarbij krachtiger kan ontwikkelen.

Bij het zaaien in verband wordt een nog meer regelmatige verdeeling van de zaden over het veld verkregen. De planten kunnen zich daarbij nog krachtiger ontwikkelen, betere korrels vormen en een betere opbrengst naar kwaliteit en kwantiteit leveren. Bovendien kan met nog minder zaaizaad worden volstaan. De methode is echter in slechts enkele gevallen goed toe te passen, bijv. bij de cultuur van knol- en wortelgewassen, boonen en maïs, alsmede van verschillende tuinvruchten. Bij eventueele beschadiging van het gewas door vorst, vreterij en zwamziekten is het nadeel bij deze methode van zaaien in den regel grooter, daar elke plant een grooter deel van de opbrengst vertegenwoordigt.

In den regel verdient een ondiepe zaaiing de voorkeur boven een diepe. Gevaar voor droogte, nachtvorsten en vogelschade kunnen een diepere zaaiing gewenscht maken. Ook verdient in den regel een vroege zaaiing zoowel in het najaar als in het voorjaar de voorkeur boven een late. Gevaar voor te sterke ontwikkeling vóór den winter, voor ontwikkeling van te veel onkruiden en voor vreterij kunnen een latere zaaiing in het najaar, gevaar voor vorst, voor onkruiden, voor vogelschade en bij tweejarige gewassen voor een te sterk doorschieten, kunnen deze in het voorjaar meer doelmatig doen worden.

Zaai werktuigen kunnen worden verdeeld in' drie groepen: die, waarmede het zaad in het wild wordt uitgestrooid; die, welke het op rijen en die, welke het in verband uitzaaien. Een der meest eenvoudige en toch doelmatige handzaaiwerktuigen voor het zaaien in het wild is de viool, die in ons land veel gebruikt wordt voor het zaaien van lijn- en klaverzaad, maar ook voor rogge. De door paarden gedreven zaaiwerktuigen voor het zaaien in het wild, die breedzaaimachines kunnen worden genoemd, bestaan veelal uit een zaadbak rustende op een kar. De zaadbak heeft in dwarse doorsnede meest den vorm van een trapezium en heeft een lengte ongeveer gelijk aan de breedte, waarover het zaad wordt uitgespreid. Onder in den bak zijn openingen, die door middel van één of meer schuiven gesloten, geopend en grooter of kleiner kunnen worden gemaakt, al naar de hoeveelheid zaad, die zal worden uitgestrooid. Ten einde een regelmatige uitstrooiing van het zaad te verkrijgen, is overlangs door den bak een as aangebracht, die juist boven elke der uitvoeropeningen een naar 2 richtingen omgebogen schijf draagt. Van uit één der wielen wordt de as met de schijven in roteerende beweging gebracht; de achtereenvolgende punten van den rand der schijven doen daarbij boven de openingen een schommelende beweging ontstaan, ten gevolge waarvan het zaad vrij regelmatig door de openingen valt. Het rolt daarna over een verdeelplank, voorzien van klosjes en pinnen, om een regelmatige verdeeling van het zaad over het veld te bevorderen. Ook door middel van zaairaderen en -schijven, zooals die bij rijenzaaimachines gebruikt worden, kan het zaad regelmatig uit den bak worden geworpen, om verder te worden verdeeld.

De rijenzaaimachines bestaan eveneens uit een zaadbak: deze rast op een meest 3-wielige kar of een

23

Sluiten