Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enz. De scheepvaart is van veel belang, maar de vroeger zoo belangrijke scheepsreederij is niet meer opgeleefd.

Vóór dat de dorpen Oost- en West-Zaandam bekend waren, vond men hier de heerlijkheid Zaenden, met een dorpje van dien naam, waarvan bekend is, dat het in 1155 door de Friezen uit Drechterland werd verwoest. Meer dan eens zijn resten van het kerkhof van dit oade dorp opgedolven, o. a. nog bij de werkzaamheden voor de nieuwe zeehaven. In den Spaanschen oorlog was Zaandam afwisselend in het bezit van de Staatsoliën en de Spanjaarden, die in 1576 voor goed werden verdreven.

De beide dorpen Oost- en West-Zaandam kwamen sedert den aanvang van de 17de eeuw door handel, scheepvaart, scheepsbouw, vischvangst (o. a. walvischvaart) en nijverheid tot grooten bloei. In 1609 werd in den Dam een overtoom aangelegd, waarover de op de werven aan de Achterzaan gebouwde schepen werden gehaald, en welke tot 1718 heeft dienst gedaan. Dikwijls waren er oneenigheden tusschen de burgers van Oost- en West-Zaandam, in 1626 liepen die zeer hoog, zoodat de tusschenkomsr. der regeering noodig was. In 1630 besliste de Hooge Raad te 's Gravenhage, dat beide gedeelten als afzonderlijke dorpen beschouwd zouden worden. Kerkelijk bleven zij tot 1640 vereenigd. Van den 18den tot den 24stcn Augustus 1697 vertoefde hier czaar Peter om zich op de hoogte te stellen van de nijverheid en handel en werkte hij als knecht op de scheepswerf van den baas Lijnst Rogge onder den naam Pieter Michailoff. Ook waren vele van zijne Russische onderdanen op andere neringen en ambachten aan het werk gesteld. In 1811 bezocht Napoleon de beide dorpen, die daarna op zijn bevel tot een stad werden verheven. In de Aprilmaand van 1813 tijdens de loting voor de Conscriptie ontstond er een hevig oproer, dat na eenige dagen door macht van militairen werd gedempt en eindigde met het fusileeren van eenige der voornaamste hoofdpersonen dezer beweging tegen het Fransehe gezag.

Zaaiitten, Willem van, was een van de edelen, die een samenzwering smeedden tegen het leven van graaf Floris V en was tegenwoordig bij den moord op den graaf. Na het volbrengen van de misdaad nam bij de wijk naar het slot Kronenburg. Dit werd echter weldra door de aanhangers van Floris veroverd, waarna Van Zaanden en Van Velsen door het woedende volk werden omgebracht.

Maanden, Simm van, waarschijnlijk een telg van het oude geslacht, woonde te Haarlem, waar hij zich den haat van het volk op den hals haalde. Toen in 1377 aldaar een botsing ontstond tusschen de Hoekschen en Kabeljauwschen, waarbij het huis van Van Zaanden werd aangevallen, weigerden de poorters hem bij te staan, hij zelf wierp meer dan zestig aanvallers uit de vensters. Hertog Albrecht verleende eerst in 1380 vergiffenis aan de weigerachtige poorters, maar Van Zaanden kwam eenige jaren daarna in een ander oproer om het leven.

Zaandijk, een gemeente in de provincie NoordHolland, 208 H. A. groot met (1910) 2 547 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Zaandam, Koogaan-de-Zaan en Westzaan. De grens met Zaandam wordt gedeeltelijk door de Zaan gevormd. De gemeente bevat het dorp Zaandijk en een aantal verstrooide woningen.

Het dorp Zaandijk, dat in de 15de eeuw ontstond, strekt zich uit langs den Lagendijk van Koog-aan de Zaan tot Wormerveer. Men vindt er een Hervormde kerk, die van 1641—1642 werd gebouwd en in 1707 is vergroot. De inwoners houden zich voornamelijk bezig met handel en nijverheid. Men vindt er papierfabrieken, oliemolens, verfmolens, houtzaagmolens enz.

Zaanstreek of Zaankant is de naam van een landstreek in de provincie Noord-Holland in de nabijheid van de Zaan, waartoe de gemeenten Zaandam, Oostzaan, Westzaan, Assendelft, Krommenie, Wormerveer, Zaandijk, De Koog, Wonner, Jisp en Wijde Wormer behooren. De streek bloeit vooral door de talrijke fabrieken en molens, die men er aantreft. In de 17de en 18de eeuw was de scheepsbouw sr van veel belang, in den laatsten tijd is deze eenigszins herleefd. Ook de vroeger zoo bekende beschuitbakkerij komt weer tot bloei. In Wormer en Jisp wordt de landbouw uitgeoefend, te Assendelft, Wijde-Wormer en Krommeniedijk veeteelt en zuivelbereiding.

Zaaijer, Teunis, een Nederlandsch geneeskundige, geboren te Dirksland in 1837, studeerde te Leiden en promoveerde aldaar in 1862 in de geneeskunde op een dissertatie: „Beschrijving van twee vrouwenbekkens uit den Oost-Indischen Archipel." Daarop begaf hij zich naar Berlijn, om de lessen van Virchow, Langenbeeh, Von Graeje en Traube bij te wonen, en werd in 1863 benoemd tot tweede prosector der ontleedkunde aan de hoogeschool te Leiden. In den zomer van 1864 studeerde hij te Weenen onder Xyrtl en Brücke en in 1865 werd hij tijdens de ongesteldheid van dr. Halbertsma voorloopig belast met het onderwijs in de ontleedkunde te Leiden en in 1866 aldaar tot buitengewoon hoogleeraar in de anatomie benoemd. Hij aanvaardde die betrekking met een redevoering over „Het gewicht eener doelmatige ontleedkundige techniek". In 1870 werd hij benoemd tot gewoon hoogleeraar, in 1881 hield hij een rectorale rede, getiteld: „Geneeskunde en maatschappij". Hij leverde in verschillende wetenschappelijke tijdschriften: „De hooge oorsprong der arteria profunda femoris" (1865), „Untersuchungen über die Form des Beckens javanischer Frauen" (1866), „Ontleedkundige waarnemingen" (1869), „De architectuur der beenderen" (1871), „Over scaphocephale schedels" (1874), „De onderzoekingen omtrent de architectuur en den groei der beenderen" (1874), „Afwijking in de bogen der lendenwervels"(1877) en „De toestand der lijken na arsenicumvergiftiging. Een gerechtelijk-geneeskundige studie" (1885). In het laatstgenoemd medico-forensisch standaardwerk kwam hij tot deze hoogst belangrijke en met de destijds gangbare opvatting volmaakt strijdige conclusies:

a. Er bestaat geen z. g. arsenicum-mummificatie.

b. De mummificatie der lijken is uit een gerechtelijk-toxicologisch oogpunt zonder eenige waarde. Tal van wetenschappelijke onderscheidingen viplen hem ten deel. Zoo werd hij reeds in 1867 benoemd tot Auswartiges Mitglied der Gesellscliaft für Geburtshülfe te Berlijn, en in 1874 tot lid der Kon. Akademie van wetenschappen te Amsterdam. De regeering erkende zijn groote verdiensten eerst in 1892 door zijn benoeming tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw. Hij overleed op het onverwachtst den 228ten December 1902.

Sluiten