Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de regeering, een stadhuis, een munt, een fraaie hoofdkerk, een hospitaal, een schouwburg, een circus voor stierengevechten enz. Het aantal inwoners, dat in 1890 nog 60 000 bedroeg, bedroeg in 1900 slechts 39 912. Ten O. van de stad ligt een oud Franciscaner klooster met het Colegio de Nuestra Senora de Guadelupe, waar vroeger zendelingen werden opgeleid, en een groote bibliotheek.

Zaccaria, Francesco Antcmio, een Italiaansch Jezuïet, geboren te Venetië in 1714, was eerst leeraar in de welsprekendheid te Goritz en trad vervolgens ■als prediker op te Rome. Daarna bekleedde hij de betrekking van bibliothecaris van den hertog van Modena. Als zoodanig was hij de opvolger van Muratori. Later keerde hij naar Rome terug en werd bibliothecaris van het college van Jezuieten en historiograaf van deze orde. Na de opheffing van de Jezuïetenorde verbood paus Clemens XIV hem Rome te verlaten, Pius VI gaf hem de vrijheid, verleende hem pensioen en plaatste hem aan het hoofd van de nieuwe academie der edelen. Hij overleed te Rome in 1796. Van zijn geschriften noemen wij: „Cremonensium episcoporum series" (1749), „Bibliotheca Pistoriensis et anecdotorum medii aevi collectio" (2 dln., 1752—1757), „Manuales legendi expeditius res romanos" (1757), „Excursus literarius per Italium ab anno 1742 ad annum 1752" (1754), „Iter literarium per Italiam ab anno 1753 ad annum 1757" (1762), „Istituzione antiquariolapidaria" (1770), „Istituzione antiquarionumismatica" (1772) en „Bibliotheca ritualis" (2 dln., 1776—1778).

Zaccone. Pierre, een Fransch schrijver, geboren te Douay den 2<ien April 1817, was aanvankelijk voor de militaire loopbaan bestemd, verkreegeeribetrekking bij de generale directie der posterijen te Parijs, doch wijdde zich later uitsluitend aan de beoefening der letteren. Emil Souvestre had veel invloed op zijn richting als schrijver. In 1878 werd hij president van het genootschap van letterkundigen. Hij overleed te Morlaix in 1895. Behalve eenige geschiedkundige werken schreef hij voornamelijk romans. Wij vermelden van hem: „Histoire des sociétés secrètes, politiques et religieuses", „Les ouvriers de Paris et les ouvriers de Londres", „Les mémoires d'un roi", „Marguérite et Béatrix" (met Féreal), „Le dernier rendez-vous", „Le roi de la Bozoche", „Eric le mendiant", „Les mystères du vieux Paris", „Le vieux Paris", „Les plaisirs du roi", „Le nouveau langage des fleurs", „Le nouveau Paris", „Le fils du ciel", „Les deux Robinsons", „Les drames des catacombes", „Les mystères de Bicêtre", „Le Batna a Tuggurt et au Souf', „Le condamné a mort", „La porte anecdotique et pittoresque", „Le fils du forpat", „Histoire des bagnes", „Le courrier de Lyon" (1879), „Les mansardes de Paris" (1880), „La vivandière des zouaves" (1881), „Maman Rocambole" (1881), „L'inconnu de Belleville" (1881), „Les drames de la Bourse" (1882), „L'enfant du pavé" (1888) en „Seuls" (1891). Ook schreef hij eenige werken voor het tooneel, zooals „Les nuits du boulevard" (1880).

Zach, Anlon, vrijheer von, een Oostenrijksch krijgsman, geboren te Boedapest den 14den Juni 1747, bezocht de militaire school te Weenen en trad in 1765 in dienst bij het corps der genie. In 1775 werd hij adjudant van generaal Spleny en vergezelde dezen naar de Boekowina. Niet lang daarna werd hij geplaatst bij den staf, waarna hij deel nam aan de trigonometrische opmetingen in GaJicië. In 1778

woonde hij als eerste luitenant den veldtocht tegen Pruisen bij en werd daarna professor aan de militaire academie te Weener-Neustadt, waar hij onderwijs gaf in de versterkingskunst en sedert 1779 ook in de hoogere wiskunde. Inmiddels was hij tot kapitein bevorderd en in 1788 werd hij door den directeurgeneraal der genie, graaf Pellegrini, naar het leger gezonden, om dienst te doen bij de belegering van Belgrado. Weldra echter keerde hij naar zijn leerstoel terug en eerst in 1789 verscheen hij tot bovengemeld doel weder in het hoofdkwartier. Nadat Belgrado door zijn beleidvolle medewerking veroverd was, werd hij bevorderd tot majoor, waarna hij zijn leeraarstaak weder opvatte. In 1792. bij den aanvang van den oorlog tegen de Fransche Republiek, kwam hij door ruiling in werkelijken dienst, trok eerst naar de Nederlanden, sloeg onder het vuur van den vijand vijf bruggen over de Ronelle en bewees bij de belegering van Valenciennes uitstekende diensten,zoodat hij tot luitenant-kolonel werd bevorderd. Ook in 1795 nam hij deel aan verschillende gevechten en in 1796 werd hij bij den generalen staf in Italië geplaatst. Daar volgde hij Wurmser naar Mantua en droeg niet weinig bij tot de heldhaftige verdediging van deze stad. Na den Vrede van Campo Formio werd hij chef van den generalen staf in Venetië en bestuurde ook daar de triangulatie. In 1799 streed hij tegen de Franschen bij Legnano, Verona en Isola della Scala en was generaal-majoor en chef van den generalen staf bij de derde belegering van Mantua. Weldra werd hij kwartiermeester-generaal van het leger in Italië en wegens zijn roemrijk gedrag in den slag bij Novi verkreeg hij de Theresiaorde, terwijl hem na de overwinning bij Fassano een aanzienlijke lijfrente werd toegekend. In 1800 werd hij in den slag bij Marengo gevangen genomen, en eerst na den Vrede van Luneville (1801) keerde hij naar Venetië terug. Kort daarop werd hij door den keizer opgenomen in den stand der Hongaar^che vrijheeren. In 1805 maakte de oorlog tegen Frankrijk weder een einde aan zijn topographische werkzaamheden. Hij werd tot luitenant-veldmaarschalk bevorderd en weder als kwartiermeester-generaal bij het Italiaansche leger geplaatst. Na de overwinning bij Caldiero bestuurde hij den tocht van het door aartshertog Karei gecommandeerde leger naar Hongarije en in 1806 werd hij gouverneur van Triëst. In 1809 verliet hij met de Oostenrijksche troepen Italië en werd in 1813 commandant van de vesting 01mütz, bestuurde vervolgens aldaar de kadettenschool en kwam in 1816 na zestigjarigen diensttijd op pensioen met den rang van veldtuigmeester. Daarna vestigde hij zich te Graz, waar hij den 22sten November 1826 overleed. Hij schreef: „Vorlesungen über die Feldbefestigung, Angriff und Vertheidigung" (1783) en „Elemente der Manövrirkunst" (1812—1814).

Zach, Franz Xaver, vrijheer von, een Oostenrijksch sterrenkundige, geboren te Preszburg den 4dcn Juni, 1754, diende eerst in het Oostenrijksche leger, was onder Liesganig met opmetingen belast, werd daarop hdisonderwijzer bij den Saksischen gezant Von Brühl te Londen, trad in 1786 als opperwachtmeester in dienst van hertog Ernst van Saksm-Gotha, die voor hem de sterrenwacht op den Seeberg bij Gotha liet bouwen, van welke inrichting hij van 1787—1806 directeur was. Later vergezelde hij als opperhofmeester de hertoginweduwe van Go-

Sluiten