Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zochte badplaatsen Krapina-Töplitz enWarasdinTöplitz. Zagorië bezit ook rijke steenkolenmijnen. De bevolking is echter niet welvarend.

Zahn. Franz Ludwig, een Duitsch opvoedkundige, geboren den 6den October 1798 te Wasser-Thalleben (Schwarzburg-Sondershausen), bezocht het gymnasium te Greuszen, studeerde te Jena in de rechten en werd in 1820 advocaat. Van 1822—1824 echter studeerde hij te Berlijn in de theologie, in 1825 aanvaardde hij de betrekking van leeraar aan het seminarium te Weiszenfels, vanwaar hij in 1827 als directeur van het seminarium van Fletcher naar Dresden vertrok. Hij werd in 1832 benoemd tot opvolger van Diesterweg te Mörs. In 1857 legde hij deze betrekking neer en vestigde zich op het buitengoed Fild bij Mörs, waar hij reeds in 1836 een voorbereidingsinstituut gesticht had, hetwelk thans onder den naam van Filder opvoedingsgesticht door zijn zoon Franz Volkmar Zahn wordt bestuurd. Zahn overleed den 20sten Maart 1890 te Fild. Zijn „Biblische Geschichten" zijn dikwijls herdrukt. Verder schreef hij: „Das Reich Gottes auf Erden" (2 dln., 1830), „Dr. Luthers „Handbuch zur biblischen Gescliichte" (2 dln., 1838), „Filder Bibelkalender", „Schulkronik" (1843—1856) en „Dorfkronik" (sedert 1846).

Zahn, Theodor, een Duitsch, Luthersch godgeleerde, een zoon van den voorgaande, geboren den 10<ien October 1838 te Mörs, studeerde te Bazel, Erlangen en Berlijn, werd in 1861 leeraar te Neustrelitz, in 1865 repetitor te Göttingen, waar hij zich in 1868 als privaatdocent vestigde en in 1871 tot buitengewoon hoogleeraar benoemd werd. In 1877 werd hij gewoon hoogleeraar te Kiel, in 1878 te Erlangen, vanwaar hij in 1888 naar Leipzig vertrok om er in 1892 weder terug te keeren. In den herfst van 1909 legde hij zijn ambt neer. Van zijn geschriften noemen wij: „Marcellus von Ancyra" (1867), „Der Hirt des Hermas" (1868), „Ignatius von Antiochien" (1873), „Acta Joannis" (1880), ,Cyprian von Antiochien und die Deutsche Faustsage" (1882), „Forscliungen zur Geschichte des neutestamentlichen Kanons" (met anderen, 8 dln., 1881—1907), „Geschichte des neutestamentlichen Kanons" (2 dln., 1888—1892), „Das apostolische Symbolum" (2'le druk, 1893), „Skizzen aus dem Leben der alten Kirche" (3de druk, 1908), „Der Stoker Epiktet und sein Verhaltnis zum Christentum" (2dc druk, 1895), „Einleitung in das Neue Testament" (3dc druk, 2 dln., 1906) en „Grundrisz der Geschichte des neutestamentlichen Kanons" (2de druk, 1904). Ook schreef hij commentaren bij het Evangelie van Mattheüs (2de druk, 1905), bij den Brief aan de Galaten (2de druk, 1907) en bij het Evangelie van Johannes (1908), terwijl hij met O. v. Gëbliardt en A. Hamaak de „Patrum apostolicorum opera" (3 dln., 1876—1878; kleinere uitgave, 5de druk, 1906) uitgaf.

Zahn, Johann Karl Wilhelm, een Duitsch architect en schilder, geboren te Rodenberg in Hessen den 21sten Augustus 1800, oefende zich in de bouwen schilderkunst eerst te Kassei, toen in het atelier van Gros te Parijs en sedert 1824 in Italië. De eerste vrucht van zijn studiën was: „Neu entdekte Wandgemalde in Pompeji" (1828). Niet lang na zijn terugkeer begaf hij zich naar Berlijn en schreef er: „Die schönsten Ornamente und merkwürdigsten Gemalde aus Pompeji, Herculaneum und Stabia"

(1828—1830, 10 stukken, vervolg, 1841—1845, 10 stukken, en tweede vervolg, 1849—1850, 10 stukken), waarna hij in 1836 tot hoogleeraar werd benoemd. In 1840 vertrok hij weder naar Italië. Hij schreef er: „Ornamente aller klassischen Kunstepochen" (1832—1848, 25 stukken; 6d» druk, 1869— 1871) en, nadat hij in 1842 te Berlijn was teruggekeerd: „Auserlesene Versierungen aus dem Gesammtgebiet der bildenden Kunst" (1842—1844 5 stukken). In 1850 en 1851 deed hij een wetenschappelijke reis door België, Frankrijk, Engeland en Nederland. Hij overleed te Berlijn den 228ten Augustus 1871.

Zahn, Albert von, een Duitsch schrijver over kunstaangelegenheden, geboren te Leipzig den 10den April 1836, bezocht in 1854 de academie voor Schoone Kunsten te Dresden en het atelier van Bendemann, was ook werkzaam te Leipzig onder de leiding van professor Jager, maar besefte weldra, dat de schilderkunst niet zijn roeping was. Hij liet zich dan ook in 1858 inschrijven als student aan de hoogeschool te Leipzig, werd er in 1860 custos van het museum en in 1866 tevens hoogleeraar, in 1868 directeur van het museum te Weimar en in 1870 referent bij de algemeene directie der Koninklijke verzamelingen voor Kunst en Wetenschap te Dresden. In 1871 hield hij zich bezig met het rangschikken en catalogiseeren der //offiein-tentoonstelling, en werd in 1873 directeur van de Koninklijke school voor modelleeren en ornamentteekenen. Hij maakte in den nacht van den 15del> op den 16den Juni 1873 te Mariënbad een einde aan zijn leven. Van zijn geschriften vermelden wij: „Dürers Kunstlehre und sein Verhaltnis zur Renaissance" (1866), „Musterbuch für hausliehe Kunstarbeiten" (1874—1875) en „Barock, Rokoko und Zopf" (1873). Ook leverde hij een derden druk van den „Cicerone" van Buckhardt en redigeerde hij de: „Jahrbücher für Kunstwissenschaft" (1868—1873).

Zahn. Ernst, een Zwitsersch schrijver, geboren den 248ten Januari 1867 te Zurich als zoon van een koffiehuishouder, werd opgeleid in het vak van zijn vader, was kellner in Italië en Engeland en is thans eigenaar van het stationsrestaurant te Göschenen. Sedert 1908 is hij ook voorzitter van den landraad van Uri. Reeds uit zijn eerste proeven, waaronder wij vooral zijn „Neue Bergnovellen" (6de druk, 1906) noemen, sprak een bijzonder verhaaltalent, dat zich in zijn latere werken ontwikkelde tot een dikwijls verrassend getrouwe weergave van de werkelijkheid. Van deze noemen wij de romans: „Erni Beliaim" (1898), „Albin Indergand" (1901), „Die Clari-Marie" (1904 en „Lukas Hochstraszers Haus" (1907), alsmede de vertellingen: „Herrgottsfaden (1901), „Schattenhalb" (1904) en „Firnwind" (1906). Ook gaf hij een bundel gedichten „In den Wind!" (2de druk, 1896) en een treurspel „Sabine Rennerin" (1899) uit.

Zahringen. vroeger een dorp in het Badensch arrondissement Freiburg, in de voormalige Breisgau, werd in 1906 met Freiburg vereenigd. In de nabijheid vindt men de gedeeltelijk bewaard gebleven bouwvallen van den evenzoo genoemden burcht, het stamslot der hertogen von Zahringen. Dit geslacht bezat sedert den aanvang der 10de eeuw een graafschap in de Breisgau. Graaf Bertold I ontving in 1052 van keizer Hendrik III de belofte, dat hij opvolger zou zijn in het hertogdom Zwaben. Maar

Sluiten