Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zaligheden, De acht, noemt men de acht deugden, die Jezus in de Bergrede in het bizonder heeft genoemd als een voorbereiding voor de eeuwige zaligheid, n. 1. vrijwillige armoede, zachtmoedigheid, droefheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid, zuiverheid, vredelievendheid en het lijden ter wille van de rechtvaardigheid.

Zaligheid is volgens het taalgebruik een toestand van de hoogste bevrediging en het hoogste geluk. In kerkelijken zin is het de toestand, waarin de dooden verkeeren, die in de gemeenschapmetGod opgenomen worden.

Zaligspreking". Zie Beatificatie.

Zaligverklaring of Zaligspreking. Zie Beatificatie.

Zaling noemt men in den scheepsbouw het samenstel van langscheepsche en dwarsscheepsche balken aan de ondermasten en marsstengen, welke dienen om de marsstengen aan de ondermasten en de bramstengen aan de marsstengen te bevestigen.

Zalmvisschen (Salmonidae) is de naam van een visschenfamilie uit de orde der Beenvisschen (Teleostei), onderorde der Edel- of Luchtbuisvisschen (Physostomi). De zalmvisschen, welke de edelste der Luchtbuisvisschen genoemd mogen worden, hebben een langgerekt lichaam ,in den regel bedekt met ronde, dunne schubben, behalve den kop, die steeds ongeschubd is; tusschen de rug- en de staartvin een niet door stalen gesteunde kleine vin, de z. g. vetvin; een groote kieuwspleet, welke zich tot de keel uitstrekt; aan het gehemelte kamvormige, „valsche" kieuwen, terwijl de bek, welks bovenrand in t midden door de tusschenkaaks- en verderop door de bovenkaaksbeenderen gesteund wordt, op zeer verschillende wijzen gewapend is. De buikvinnen zijn buikstandig, de maag bezit een groot aantal poortaanhangsels, de zwemblaas is groot en enkelvoudig, de eieren ontwikkelen zich niet in gesloten zakken, maar in huidplooien, welke aan de binnenste oppervlakte van de buikholten uitpuilen. Naar het gebit laten de zalmvisschen zich in twee hoofdgroepen indeelen: n.1. die, welke een goed ontwikkeld tandenstelsel bezitten, echte roofvisschen, welke het meerendeel der familie omvat, en die, welker kleine bek tandeloos is, of welker slecht ontwikkelde tanden spoedig uitvallen en aan de karper- en de haringvisschen herinneren.

De zalmvisschen van de eerste groep voeden zich met andere visschen, die van de tweede groep met slakken, mossels, wormen, allerhande soorten van larven en zelfs met plantaardige stoffen. Behoudens een 6-tal geslachten, waarvan 5 den Atlantischen Oceaan en één de binnenwateren van NieuwZeeland bewoont, behooren de zalmvisschen uitsluitend thuis op het noordelijk halfrond. Vooral talrijk zijn zij vertegenwoordigd in de Noordelijke IJszee en in het noordelijk deel van den Grooten Oceaan; minder talrijk in de Noord- en Oostzee en het noordelijk deel van den Atlantischen Oceaan. Voor het meerendeel zijn zij zeevisschen, slechts enkele geslachten zijn zoetwatervisschen. Nadert de paartijd, dan trekken de zalmvisschen de rivieren op, teneinde zich voort te planten in de soms zeer hoog gelegen bergstroomen. Daar in het heldere stroomende water, op een met kiezel bedekten bodem is de bakermat der zalmen. De economische beteekenis der zalmvisschen is zeer groot. (Zie verder hierover het artikel Visscherij). Klachten omtrent ver¬

arming van den Rijn met betrekking tot de zalmvisschen hebben er toe geleid jaarlijks duizenden kleine zalmen te poten in het bovenstroomgebied van den Rijn zoowel voor rekening van het Nederlandsche gouvernement als van dat der Duitsche Rijnoeverstaten. In de laatste jaren beliep het aantal voor Nederlandsche rekening losgelaten zalmpjes 2 tot 3 millioen 's jaars. In het tijdvak 1891— 1911 dus in de afgeloopen 20 jaar bedroeg dat totaal 374 millioen stuks. Daar ondanks deze loslatingen de zalmstand in onze rivieren nog steeds achteruitging, is in 1906 een staatscommissie ingesteld ter onderzoeking van het zalmvraagstuk, welke commissie sedert eenige jaren begonnen is ook hier te lande jonge zalmen los te laten.

Men verdeelt de zalmvisschen in de volgende geslachten: 1. Salmo (Zalmen). Deze hebben een sierlijk gebouwd lichaam,bedekt met kleine,ovale schubben. De rugvin is vóór de borstvinnen geplaatst. De mondspleet is wijd en gewapend met goed ontwikkelde kegelvormige tanden, welke op de tusschen- en onderkaaks-, gehemelte- en ploegschaarbeenderen zijn ingeplant en zelfs de tongbedekken. De anaal vin is kort. Hiertoe behoort de Zalm (Salmo salar), in Duitschland „Lachs" in Engeland „Salmon" en in Frankrijk „Saumon" genoemd. Het lichaam van den zalm is tamelijk lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de kop klein met vooruitstekenden snuit, het ploegschaarbeen kort, vijfhoekig, de steel voorzien van een rij kleine tanden, welke vroegtijdig uitvallen. De onder-, boven- en tusschenkaaksbeenderen, ook de tong en het gehemeltebeen zijn met haakvormige naar achteren gerichte tanden bezet; die van het tusschen- en onderkaaksbeen zijn de sterkste. De rugvin wordt naar achteren korter, de buikvinnen zijn klein, de staartvin nauwelijks gaffelvormig, bij jonge dieren sterk gaffelvormig ingesneden. Kleur en lichaamsvorm van den zalm zijn zeer afhankelijk van leeftijd, geslacht, geslachtsrijpheid en voedingsomstandigheden. In den regel is de rug blauwgrijs, zijn de zijden zilvergrijs en de onderdeelen wit. De zijdestreep is met enkele zwarte, vaak xvormige vlekken geteekend, welke ook aan den kop voorkomen. De rugvin is grijs en vertoont aan de basis ook een rij kleine, zwarte vlekken, de overige vinnen zijn aan den voet geel- of roodachtig 'en aan den rand zwartachtig gekleurd. Tegen den paaitijd worden de kleuren bijzonder levendig en verflauwen zeer snel na dien. Dikwijls blijven enkele vuilroode vlekken over, welke zich over het lichaam verbreiden. Bij de mannelijke dieren is in den paaitijd de buik vaak purperrood gekleurd en zijn ook de vinnen roodachtig. Bij oude mannetjes is de onderkaak in den paaitijd soms naar boven gekromd. De visschers noemen naar aanleiding hiervan deze dieren „haken" terwijl de rijpe wijfjes „geepen" heeten. In de Russische stroomen worden zalmen gevangen, welke 1,50 m. lang en tot 45 kg. zwaar zijn; bij ons zijn zalmen van 1 m. lengte en 15 kg. zwaar reeds uitzonderingen.

De zalm heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Men vindt hem aan de kusten van den Atlantischen Oceaan vanaf 43°N.Br.metaangrenzende zeeën (Noordzee en Oostzee) tot in de Noordelijke IJszee; bovendien bevolkt hij de Amerikaansche, Europeesche en Siberische rivieren en dringt zelfs de kleinste beken binnen. Naar het Noorden neemt hij in talrijkheid toe. Eigenaardig is het z. g. trekken der

Sluiten