Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noordelijke Alpenmeren van Zwitserland, Duitschland en Oostenrijk.

De Winterhouling (Coregonus hiemalis),in Duitscliland Kilch, Kropffelchen of Kropfmarane genoemd,is korter dan de overige Houtingen, terwijl de rug sterker gekromd is, hetwelk in nog sterkere mate het geval is met den buik. De rug is bruingeel gekleurd, de bovenkop geelachtig wit, de kieuwdeksels, de zijden en de buik zilverwit. Zij bewoont het Bodenmeer en enkele andere Zuid-Duitsche meren en moet ook tot de Diepzeevormen van de Middel-Europeesche zoetwatervisschen gerekend worden, evenals het vorengenoemd geslacht.

3. Thymallus ('Vlagzalmen) onderscheiden zich, doordat zij een hooge en lange rugvin hebben, welke ver vóór de buikvinnen is ingeplant, groote, vastzittende schubben en een kleinen mond met uiterst fijne tandjes op de kaakranden en de ploegschaar- en gehemeltebeenderen. Hiertoe behoort de Vlagzalm of Esch (Thymallus vulgaris). Bij ons wordt ze alleen aangetroffen in Limburg in de rivier de Geul en in de Maas. Zij wordt hoogstens 60 cm. lang en 1.5 kg. zwaar. De kop is klein, de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak, de rugvin is tweemaal zoolang als de anaalvin.

4. Osmerus (Spieringen). Dit geslacht bestaat uit zeer kleine zalmvisschen met doorschijnend lichaam, bedekt met spoedig losrakende kleine schubben, een zeer wijden bek, tusschen- en bovenkaaksbeen bedekt met één rij, de onderkaak met twee rijen zeer fijne tandjes, terwijl ook de vleugelbeenderen en de tong tandjes dragen. De belangrijkste soort van dit geslacht is de bij ons welbekende spiering (Osmerus eperlanus), in Duitschland Stint, in Frankrijk Eperlan en in Engeland Smelt genoemd. Het lichaam van de spiering is betrekkelijk lang en weinig samengedrukt, de onderkaak steekt voorbij de bovenkaak, de mondspleet reikt tot achter de oogen; de tanden van het ploegschaar- en het voorste deel van het tongbeen zijn tamelijk sterk, die van de tusschen- en bovenkaak zijn uiterst fijn. Het midden van het tongbeen draagt een beenplaat gewapend met een aantal tanden. De kleur is zeer verschillend. Voor de visscherij in de Zuiderzee, het Hollandsch diep en het Haringvliet is de spiering belangrijk. Zij wordt vooral veel naar Parijs en Londen verzonden.

5. Mallotus. Hiertoe behoort de Kaplaan (Mallotus villosus), welke de kleinste der Zalmvisschen vertegenwoordigt en hoogstens 20 cm. lang wordt. Zij heeft een slanke gestalte, kleine schubben, zeer groote, ronde borstvinnen, ver naar achteren geschoven rugvinnen, borstelvormige tanden op kaken, gehemelte en tong. De kleur van den rug is donkergroen met bruinachtigen weerschijn, de zijden en de buik zijn zilverwit en zwartgespikkeld, de vinnen zijn grijs en hebben een zwarten rand. Haar verbreidingsgebied ligt tusschen 63 en 75°.N.Br. Vooral aan de kusten van Finmarken, IJsland en Groenland en op de Bank van Newfoundland kunnen zij in den paaitijd in zeldzaam groote hoeveelheden worden aangetroffen. Belangrijk is de Kaplaan als aas voor de Kabeljauwvangst vooral voor de vangst op de Noorsche kust en Newfoundland bank. Ook onder de diepzeevisschen zijn de zalmvisschen met eenige geslachten vertegenwoordigd, als Argentina, Mierottoma en Bathylagus, de laatste in diepten tot omstreeks '2000 vadem.

Zalokostas, Georgios, een Nieuw-Grieksch

dichter, geboren den 17den April 1805 te Syrrhako in Epirus uit een aanzienlijk geslacht, studeerde aldaar en in Italië. In 1821 nam hij deel aan den vrijheidsoorlog. Toen deze geëindigd was, bleef hij als hoofdofficier in het leger tot aan zijn dood. Hij overleed te Athene den 3"en September 1858. Van jongs af hield hij zich bezig met de beoefening der dichtkunst en de heldenstrijd in zijn vaderland liet het hem niet ontbreken aan geschikte onderwerpen. Zijn eerste dichtwerk, „Missolonghi", werd bekroond door de universiteit te Athene en bezorgde hem al dadelijk een hoogen rang onder de Grieksche dichters. Zijn keurige berijming, zijn onberispelijke taal en bovenal het vuur der nationale geestdrift verhieven hem tot den lieveling van zijn volk. Van zijn talrijke gedichten, van welke verscheiden in het Itaüaansch, Spaansch, Engelsch, Duitsch en Russisch zijn vertaald, noemen wij: „"ApfiavioAoi Hai xAécpia', ,,To 2*ófiiov tijg Jtgefié^rjg", „Ai avafivï/OEig", „To yam Tijg F^ajiiag", „Al oKTjvai tov <PaJ.i](>ov" en ,.Md(t-Ang Bótaapig". Dit laatste wordt voor zijn beste werk gehouden. Na zijn dood werden in 1860 zijn gezamenlijke werken door zijn weduwe in het licht gegeven, terwijl een Fransche uitgave van zijn geschriften met een inleiding van S. Queux de Saint-Eilaire in 1888 verscheen.

Zaloni, Anton, een Italiaansch beoefenaar der Oostersche letterkunde, geboren te Padua in 1693, studeerde in de wijsbegeerte en in de rechten en vooral in de Oostersche talen, en werd hoogleeraar in zijne geboortestad, waar hij in 1763 overleed. Hij schreef: Questiones de sacra scripturaexlinguarum orientalium usu ortae" (1725), ,,Dissertationes ad sacram scripturam spectantes" (1729), „Lexicon hebraieum" (1734), „Grammatica linguae Syriacae" (1742), „Lexicon Syriacum" (1747), „Lexicon chaldaico-rabbinicunV' (1747) en „Ratio institutioque addiscendae linguae chaldaicae, rabbinicae, talmudicae" (1750).

Zalt-Bommel. een gemeente in de provincie Gelderland, 1160 H. A. groot met (1910) 4 302 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Hurwenen, Kerkwijk, Gameren, Haaf ten en Waardenburg. De grens met de beide laatstgenoemde gemeenten wordt door de Waal gevormd. Zalt-Bommel vormt een deel van de Bommelerwaard. De bodem bestaat uit rivierklei. Tot de gemeente behoort de stad Zalt-Bommel en haar rechtsgebied, dat van ouds onder den naam van het Schependom bekend is.

De stad Zalt-Bommel, die op den rechteroever van de Waal aan den spoorweg van Utrecht naar 'sHertogenbosch ligt,iszeeroud. Zijisruimgebouwd. Tot de voornaamste straten behooren: de Gamersche Straat, de Boschstraat, de Waterstraat, de Nieuwstraat, de Kerkstraat en de Gasthuisstraat. De Groote of St. Maartenskerk, die in 1304 werd ingewijd, bezit een hoogen toren, waarvan de spits echter in 1538 door den bliksem werd vernield. Verder vindt men er een Roomscli-Katholieke kerk, een synagoge, een stadhuis van 1762, een waag, een gasthuis, een Hervormd weeshuis, een oude mannen- en vrouwenhuis en een hoogere burgerschool. Het huis in de Nonnenstraat, waarin Maarten van Rossurn in het begin van de 16de eeuw woonde, is thans tot kantongerecht ingericht. De spoorwegbrug over de Waal is een belangrijk bouwwerk. De stad bezit een haven en een veer naar Tuil.

Sluiten