Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vat dit zand edelgesteenten (diamant, spinel, granaat, hyacinth) of metalen (goud, platina, tinerts). Kalkzand bestaat uit losse kalksteenkorreltjes, het wordt soms door de branding uit koraalkalk (koraaljood) gevormd. Dikwijls bevat kalkzand overblijfselen van dieren (schelpzand, beenderenzand)-, naast de kalksteenkorreltjes komt ook kwarts voor ('kwartskalkzand!). Verder spreekt men van dolomietzand, uit dolomietkorrels bestaande, dat op sommige plaatsen in Zwaben, Thüringen en Hessen wordt gevonden, glauconietzand, een mengsel van kwarts en glauconiet, magneetijzerzand, hoofdzakelijk bestaande uit titaniumhoudend magneetijzer en behalve andere delfstoffen ook wel goud en platina bevattend; dit vormt doorgaans dunne lagen in beek- en rivierbeddingen van vulkanische gewesten (bijv. bij Napels enz.) en aan den oever van meren (zooals aan het Laaeher Meer bij Andernacli) en aan de zeekust (bijv. op de eilanden Usedom en Wollin) en vulkanisch zand, bestaande uit brokjes lava of uit kristallen. De lapilli (rapilli) vormen het grof vulkanisch zand, dat in den fijnst verdeelden toestand den naam draagt van vulkanische asch.

Zandsoorten zijn in het algemeen de voortbrengselen van mechanische verbrokkeling van gesteenten, inzonderheid door het uiteenvallen van zandsteen of kwartsgesteenten, zooals in woestijnen. De invloed van den neerslag uit den dampkring kan door het wegnemen der oplosbare bestanddeelen den aard van het zand allengs veranderen, terwijl verder door het geleidelijk bezinken der bestanddeelen, weike door een rivier worden medegevoerd, de verschillende soorten van zand naar haar soortelijk gewicht worden gerangschikt. Men vindt het zand meestal in jongere vormingen, in het alluvium, düuvium en de tertiaire lagen. Intusschen heeft men het ook in de oudere vormingen, bijv. in de krijtvorming en zelfs in de Silurische vorming. De veranderlijke zandsoorten kunnen door geleidelijke verweering voedende stoffen leveren aan de planten, en ook het kwartszand is zeer nuttig, wanneer het met klei en leem wordt vermengd. Het geeft losheid aan den grond, vermindert het waterwerend vermogen van zuiver leem en bezorgt toegang aan de dampkringslucht. Zuiver kwartszand echter is volkomen onvruchtbaar, maar komt te pas als grondstof in de glasblazerijen, terwijl het tevens tot strooi- en schuurzand wordt gebezigd.

Een bijzondere vorming is het drijfzand. Dit is een fijne, dikwijls meelachtige zandsoort, die met water doortrokken en zeer bewegelijk is. Zij komt vooral voor in kwartiaire en tertiaire vormingen en in de krijtformatie en is dikwijls het hangende van bruinkool-, zout- en steenkoollagen. Wanneer mijnen toevallig in aanraking komen met een massa waterhoudend drijfzand, worden zij snel hiermede gevuld, zoodat niet zelden mijnwerkers geheel door het zand worden ingesloten en stikken. Drijfzand komt soms ook aan de oppervlakte van den bodemvoor, in lage streken waar los zand, dat geen voor water ondoordringbare bestanddeelen bevat, met grondwater of bronwater gedrenkt wordt. Men treft het ook aan de oevers van rivieren en aan liet strand, vooral aan den voet van duinen, aan. Daar vindt men soms lagen van 3 m. dikte waarin menschen en dieren kunnen wegzinken. Zie ook Duinen en Woestijn.

Zand,7, een gemeente in de provincie Groningen,

3817 H.A. groot met (1910) 3389 inwoners, strekt zich uit tot aan den mond van de Eems en wordt verder begrensd door de gemeenten Uithuistermeeden, Kantens, Stedum, Loppersum, Appingedam en Bierum. Op den bodem, die met zeeklei overdekt is, wordt landbouw uitgeoefend. Tot de gemeente behooren de dorpen: 't Zand, Zeerijp, Leermens, Eenum, Oosterwijtwerd en Zijldijk en de gehuchten Kolhol, Korendijk en Voorwerk.

Het dorp 't Zand bezit een Hervormde kerk, waarnaast een zware, vierkante toren staat, en een Gereformeerde kerk. Er is een halte van de spoorlijn Groningen—Delfzijl. Het bed van het vroegere riviertje de Fivel is reeds lang dichtgeslibd. In 1267 leed het dorp zeer door een dijkbreuk, in 1690 werd het door de Staatsche benden geplunderd.

Zanrtaal Zie Slangvisschen.

Zandbacl. Zie Bad.

Zandbad of Capelle noemt men met zand ge vulde ijzeren schalen of ketels, die in scheikundige laboratoria gebruikt worden voor de verwarming van schalen of retorten, die men niet onmiddellijk met het vuur of de vlam in aanraking wil brengen.

Zandbank. Zie Bank.

Zanddrijver, Zandreiger of Fuut (Colymbus cristatus) is de naam van een vogel uit het geslacht der zoetwaterduikers. Hij bereikt een totale lengte van 96 cm., een vlucht van 64 cm. en een vleugellengte van 18 cm. Hij is aan de bovenzijde glanzig zwartbruin, de wangstreek en de keel zijn wit, de kraag is roestrood, aan den rand zwartbruin, van onderen is hij wit met een zijdeachtigen glans, in de flanken met roestkleurige en grijsachtig zwarte vlekken. Het oog is karmijnrood, de snavel lichtrood. In den paartijd draagt de kop een van boven in tweeën gesplitsten pluim en een kraag van prachtige lange veeren, die den kop en den hals omgeven. In den winter zijn deze nog niet tot ontwikkeling gekomen. De fuut bewoont in alle Europeesche landen ten Z. van 60° N. Br. meren en andere binnenwateren, die voor hem geschikt zijn. Bij ons komt hij veel minder voor dan vroeger. Hij vertoeft hier meestal van April tot September. Hij zwemt, duikt en vliegt uitstekend; het loopen en staan kosten hem moeite. Zijn Dndiep nest is ongeveer 30 cm. breed en 16 cm. hoog; iet wijfje legt 3—6 eieren, die door beide ouders seurtelings worden bebroed. De fuut voedt zich met •'isschen en insekten. Zijn vleesch is niet eetbaar, sijn veeren zijn zeer gezocht. In een doelmatig ingerichte kooi met een waterbak kan men hem met deine visschen in het leven houden; ook kan hij geremd en in vijvers gehouden worden.

Zander, Sander of Snoekbaars (Lucioperca tantra). Zie Baarsvisschen en Percidae.

Zander, Gustaaf, een Zweedsch geneeskundige, jeboren den 29sten Maart 1836 te Stockholm, stuleerde te Upsala en werd in 1867 verbonden aaa een [ostschool voor meisjes, waar ter voorkoming en geïezing van ruggegraatsverkrommingen heilgymnasiische oefeningen moesten worden gehouden. Daardoor construeerde Zander hefboomtoestellen, welke len weerstand, tot op dat oogenblik bij de oefenin;en door een mannelijk gymnast gegeven, konden vervangen, waaruit Zander, vooral nadat hij in den ngenieur Göransson een uitvoerder van zijn denkleelden had gevonden, langzamerhand het geheele telsel der medico-mechanische gymnastiek ontwikrelde. In 1866 werd te Stockholm het eerste medico-

Sluiten