Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mechanische instituut geopend. Zander werd in 1877 tot eeredoctorvan de hoogeschool teUpsala benoemd en ontving een staatsondersteuning om de Wereldtentoonstelling te Philadelphia te kunnen bezoeken. In 1896 werd hij gekozen tot lid van de Zweedsche Academie van Wetenschappen. Van zijn hand verschenen : „Medico-mekaniska institueti Stockholm" (1871), „Svaz pa Nagra ord till belysning of fragan om de tve ne obka gymnastik metoderna, den manuella och den mekaniska"(1872), „The Mechanicotherapeutic institution in Stockholm"(1876), „Der mekaniska gymnastikens apparelz och dess anvandande"(1886) en „Die Grundzüge de Dr. G. Zanderschen medikomechanischen Gymnastikmethode und deren Anwendung"(met Levertin, Heiligenthal en Schütz, 1901).

Zanderinstituut. Zie Heilgymnastiek en Zander, Gustaaf.

Zandgrond bestaat voor het overwegende deel uit zandkorrels, d. z. minerale deelen, die zich in water verdeeld, snel afzetten. Door aanwezigheid van kleiachtige bestanddeelen wordt de zandgrond lemig; door het bezit van humus humeus. De meeste zandkorrels bestaan uit kwarts; er zijn er echter ook die uit silicaten bestaan, b.v. uit veldspaat, hoornblende en andere gesteenten. Hoe hooger het gehalte aan kwartszand is, des te onvruchtbaarder de zandgrond. Hij heeft in het algemeen groote behoefte aan plantenvoedsel. De zandgrond is in 't algemeen goed doordringbaar voor lucht; kruimeling van den grond schijnt deze eigenschap echter nog in gunstigen zin te bevorderen. Zijn waterhoudend vermogen is gering; hij lijdt dientengevolge licht aan droogte. Hij laat zich gemakkelijk verwarmen, waardoor het gevaar voor uitdroging nog toeneemt. Arme zandgronden vertoonen een geringe bacteriologische werking; dientengevolge kan de humus zich daarin en daarop soms sterk ophoopen.

Zandhaver (Elymus L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Grassen (Gramireae). Het onderscheidt zich van de gerst, doordien elk bloempakje niet een enkele bloem, maar twee of meer bloemen bevat. Het omvat slechts éen soort, namelijk de gewone zandhaver (E. arenarius), uitsluitend op de zeeduinen te vinden, waar zij in Juni bloeit en met haar ver voortkruipende wortelstokken het losse duinzand bevestigt. Zij heeft rechte, stevige stengels, bezet met lange, stijve, min of meer saamgevouwen en eindelijk opgerolde, ruwe, prikkende, aan de bovenzijde blauwgroene bladeren, wordt wel eens 8 tot 10 dm. hoog en heeft haar bloempakjes vereenigd tot een stijve, dichte, blauwgroene aar, wier spil bochtig en gewimperd is. Aan het bovenste en benedenste gedeelte der aar staan de bloempakjes gewoonlijk twee aan twee, en in het midden drie aan drie. Ieder bloempakje bevat voorts drie bloemen, waarvan de beide onderste tweeslachtig zijn, terwijl het bovenste mannelijk is. De kelkkafjes zijn vóór de bloemen geplaatst en vormen ten getale van 4 of 6 een soort van omwindsel. — De naam van zandhaver wordt ook wel gegeven aan de bekende Helm (Ammophila).

Zandkevers (Cicindelidae) is een familie uit de groep van de roofkevers (adephaga),Aie 35 geslachten met omstreeks 800 soorten bevat, waarvan er vier soorten in Nederland voorkomen. Zij leven vooral in droge, zandige streken, inzonderheid in warme

gewesten. Deze dieren worden 12—15 mm. lang, de mannetjes bezitten aan de voorpooten verbreedingen van de 3 eerste leden, de buitenste kaaklob van de onderkaak heeft den vorm van een tweeledigen taster, de binnenste kaaklob draagt aan den top een beweegbaren tand. Vooral door de aanwezigheid van dezen tand onderscheiden zij zich van de loopkevers. Bij ons komen het meest voor: de gewone zandkever (cicindela hybrida), die groenachtig of paarsachtig koperkleurig is, op de dekschilden heeft hij witte vlekken, en de veldzandkever (cicindela campestris) een buitengewoon vlugge, roofzuchtige, groene kever, die vooral in Gelderland voorkomt. De larven van de zandkevers hebben op den rug 2 naar voren gerichte doornen, het onderste deel van het aangezicht is blaasvormig gezwollen. Zij bezitten een hoornachtigen kop, 4 oogen, 4 ledige sprieten en monddeelen, welke op die van het volwassen dier gelijken. De zandkeverlarve houdt haar verblijf in een verticaal kanaal in den grond, waarin zij zich bij het minste onraad verschuilt, terwijl zij voor 't overige den kop aan de opening plaatst, om zich van insekten meester te maken.

Zandkruid (Arenaria L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Alsineeên. Het onderscheidt zich door 5 kelkbladeren, 5 gave of flauw uitgerande bloembladen, 10 meeldraden, 3 stijlen en een eerst 6-tandige, daarna 3-kleppige doosvrucht. De voornaamste inlandsche soort van dit geslacht is A. serpylli/olia L. (thijmbladig zandkruid) met eivormige, toegespitste bladeren, waarvan de onderste kort gestoeld en de overige zittend zijn, met lancetvorinige kelkbladeren, die grooter zijn dan de bloembladeren, en met lang uitstaande vruchtstelen.

Zandlooper is de naam van een soort van tijdwijzer. Hij bestaat uit twee holle kogels met doorboorde toppen, welke laatste op elkander zijn vastgehecht. Is in den bovensten kegel fijn zand, dan heeft dit een zekeren tijd noodig om door den nauwen hals in den ondersten kegel te loopen, en men kan de grootte der opening of de hoeveelheid zand zoodanig nemen, dat dit laatste daarvoor een bepaalden tijd noodig heeft. Is na dien tijd de bovenste kegel leeggeloopen, dan kan men het toestel omkeeren en zich alzoo op nieuw den bepaalden tijd laten aanwijzeii. Deze soort tijdmeters zijn zeer oud. Tegenwoordig gebruikt men ze nog voor bepaalde doeleinden, bijv. in de keuken bij het koken van eieren, bij het biljarten, op zee bij het loggen, in ziekenkamers enz. D« zandlooper is een attribuut van den tijd en van den dood, die voorgesteld wordt als een geraamte met een zandlooper in de hand of op het hoofd.

Zandeogen (Satyridae) is de naam van een onderfamilie van de vlinders (zie aldaar), die zich niet zoo zeer door den vorm van de vleugels, als dooi' de kleur en de teekening van andere vlinderfamilie* onderscheidt. De meer of minder donkerbruine bovenzijde van de vleugels is bij sommige soorten va» deze familie bijna effen, bij de meeste andere geteekend met ronde stippen of oogvlekken, die op de benedenzijde zeer duidelijk uitkomen. De beide zijden van de voorvleugels zijn gelijk, van de achtervleugels zijn de onderzijden grootendeels bruin gemarmerd. Van alle deze vlinders is het lichaam behaard. Zij komen waarschijnlijk het meest in Europa voor. De rupsen loopen van achterén dun uit en bezitten 2 staartpuntjes; de gladde of gerimpelde huid is met

Sluiten