Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fluweelachtige haren begroeid en met overlangsche strepen geteekend. Tot deze familie behooren o. a. de semele (satyrus seniele), het koevinkje (epiniphele hyperanthus), het bruine zandoogje (epiniphele janira) en de argusvlinder (pararge megaera). <

Zandpomp. Zie Baggermachines.

Zandsteen is een min of meer vast gesteente, in den regel ontstaan door samenbakking van zand. Zijn de saamgebakken deelen groot van stuk, dan ontstaan conglomeraten en brecciën. Naar de grootte van de zanddeelen onderscheidt men grofkorrelige en fijnkorrelige zandsteen, naar de gesteldheid van het bindmiddel, dat de deelen samenhoudt, zeer verschillende soorten o. a. boartsachtige of kiezelachtige, leemachtige, kalkachtige, dolomietachtige, mergelachtige, ijzerhoudende, bitumineuze en koolachtige zandgesteenten.

Het meest algemeen zijn de kwartsachtige en leemachtige kwartszandsteensoorten. Somtijds heeft men die beide verbindingsmiddelen in dezelfde laag, en daar de venveering de leemachtige soort veel sterker aantast dan de kwartsachtige, ontstaan hierdoor ■wel eens zonderlinge rotsfiguren. Men vindt daarvan voorbeelden in Saksisch Zwitserland, in den Adersbacher rotsendoolhof, in het Reuzengebergte en elders. Het leemachtig bindmiddel hoopt zich hier en daar op en vormt leemgallen, die aan de bruikbaarheid van den zandsteen groot nadeel toebrengen. Minder dikwijls komt zwaarspaat, coelestien, gips of dolomiet en koolzuur ijzer en mangaan als bindmiddel voor. Waar laatstgenoemde bindmiddelen aanwezig zijn, ontstaan dikwijls mangaanvlekken (tijgerzandsteen). Men vindt verder bonten zandsteen ter dikte van 80 m., waarin loodglanskorrels ter grootte van erwten zijn uitgestrooid. Iets dergelijks komt voor bij wit looderts, koperlazuur en malachiet.Somtijds verandert het leemachtig bindmiddel in porseleinaarde (kaolien), somtijds ook wordt het vervangen door kalk. Hiertoe behooren de grauwaksoorten, waarin men ook veldspaat en glimmer aantreft. Bevat het bindmiddel veel ijzer, dan ontstaan de ijzerhoudende kwartzandsteensoorten. Bij andere leemachtige bindmiddelen verraadt zich de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid ijzer door een roode of geelachtig bruine kleur, soms is die hoeveelheid groot genoeg om bruikbaar ijzererts te vormen. Behalve de kwartszandsteensoorten vermelden wij den veldspaatzandsteen, die behalve kwartskorrels ook veldspaat bevat. Door de aanwezigheid van glimmer ontstaat de glimmerzandsteen. Is deze delfstof in aanmerkelijke hoeveelheid aanwezig, dan veroorzaakt zij naar de evenwijdige rangschikking van haar blaadjes een dunne schilfering van den zandsteen. Glauconietzandsteensoorten bevatten somtijds een groote hoeveelheid glauconiet en betrekkelijk weinig kwarts, zij zijn door een kalkachtig of mergelachtig bindmiddel of door fijnverdeelde groene aarde verbonden. Men heeft verder gekristalliseerde zandsteensoorten met zout- of kalkspaatkristallen, alsmede zandsteen in den vorm van zuilen, en wel op die plaatsen, waar hij in aanraking is met basalt.

De meeste zandsteensoorten zijn duidelijk in lagen gerangschikt, maar de beddingen hebben vaak een aanmerkelijke dikte. Ook ziet men de lagen wel eens in teerlingblokken verdeeld (quaderzandsteen). Door den invloed van den dampkring, dus door verweering, kunnen de zandsteensoorten weder in zand

veranderen, en~de~gemakkelijkheid, waarmede dat geschiedt, is in"de eerste'plaats afhankelijk van den aard van het bindmiddel. Is het leem-, kalk- of mergelachtig, dan'valt'de "zandsteen spoediger uiteen, dan wanneer het kwartsachtig of ijzerhoudend is. Men vindt zandsteensoorten in alle bezonkene lagen, van'de'Silurische vorming af tot aan het jongste alluvium toe. Onderscheiden"namen wijzen oorspronkelijk aan de plaats waar de zandsteenen gevonden worden, of hun samenstelling, later duiden deze namen de formaties aan, waartoe zij behooren. Men spreekt o. a. van Potsdamzandsteen, spirifeerenzandsteen, molenzandsteen, rietzandsteen, kolenzandsteen, keuper-, lias-, krijt- en bruinkoolzandsteen enz. Men gebruikt onderscheiden zandsteensoorten tot bouwsteen, de dunschilferige tot platen, de fijnkorrelige tot beeldhouwwerk, de harde tot molen en slijpsteenen, de vuurvaste, leemachtige kwartszandsteensoorten tot binnenbekleeding van hoogovens, enz.

Zandstrook noemt men aan een schip een breede gang, die in de sponning van de kiel schiet en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.

Zandstuiving;en zijn plekken, waar de bodem geheel uit zuiver zand bestaat en de dunne bovenkorst van heide en humus verdwenen is, waardoor de wind vat op het zand krijgt en dit daardoor verstuift, zoodat de aangrenzende deelen der heide, ook wel verder af gelegen akkers en weiden er min of meer door bedekt worden. Aan de zijde, vanwaar de wind komt, waait het zand diep uit, soms tot op het onderliggende zand met grint en keien of leem, zoo dit aanwezig is; de aldus gevormde lagere deelen zijn vochtig en worden vaak weer met planten bedekt, maar aan de andere zijde van de kuil ondermijnt de wind als het ware de oude reeds overstoven heidekorst en doet deze instorten, zoodat de zandstuiving

voortdurendeengrooteroppervlakteverkrijgt.Meest-

al doet de wind op de barre zandoppervlakte duin- of heuvelvorming ontstaan, waartoe enkele oneffenheden, een overgebleven struik enz. aanleiding kunnen geven. Dergelijke zanden, zandstuivingen, zandverstuivingen, ook wel landduinen of zandbergen geheeten, komen in ons land vooral langs de W. en N.-W. hellingen of aan den voet der diluviale grintheuvels van de Veluwe voor, sommige honderden hectaren groot. Ook elders op onze heidegronden worden ze aangetroffen, zooals in het O. van Utrecht, het Gooi, Noord-Brabant, N.-Limburg, Overijsel, Drente en Z.O.-Friesland.

De meeste zandstuivingen zijn door den mensch teweeg gebracht, vooral door schapenteelt en plaggensteken. Daar zij totaal onvruchtbaar en voor de omgeving gevaarlijk zijn, tracht men in nieuweren tijd de oude te doen verdwijnen en het ontstaan van nieuwe te voorkomen. Is de oppervlakte nog gering dan kan men door beplanting met helm of zandhaver of het beleggen met plaggen het zand somtijds vastleggen; beslaan zij reeds een groote oppervlakte, dan tracht men ze te beteugelen door ze te omringen met een krans van dennen en eiken struiken en het opwerpen van een wal aan de buitenzijde, om de planten tegen den wind en de schapen te beveiligen. Daarbinnen werpt men soms hier en daar plaggen of plaatst men takkebosschen, waardoor het zand meestal tot staan komt en de zandstuiving eerst met gras, daarna met heide wordt begroeid, waarna men dennen- of eiken hakhout kan planten.

Sluiten