Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerschool, een schietschool voor officieren, een aantal kazernes, een fabriek voor behangselpapier en 22 353 inwoners, welk aantal des zomers stijgt tot 25 4 30 000. Het keizerlijk lustslot van dien naam ontstond uit een klein gebouw, afkomstig van Peter den Groote. In 1744 liet Elizabeth aldaar het tegenwoordig kasteel bouwen, dat vervolgens door Catharina 11 werd vergroot en versierd. De vertrekkenzijn rijk versierd met jaspis, agaat, barnsteen, mozaïek, marmer en lapis lazuli. De keizerlijke kapel in het kasteel is van binnen zeer fraai, boven deze verheffen zich vijf vergulde koepels. Aan het paleis sluit zich een marmeren gaanderij met twee verdiepingen aan. Rondom de bovenste loopt een kolonnade van wit marmeren zuilen van Ionische bouworde, onder urelke op donker marmeren voetstukken de borstbeelden van Romeinsche keizers en helden en Grieksche wijsgeeren en redenaars zijn geplaatst. Naast deze gaanderij strekt op gewelven een hangende tuin zich uit. In het park bevinden zich: het door Alexander 1 gebouwde zomerpaleis, een Chineesch dorpje met een pagode en een kunstmatige ruïne van een Gotische burcht met een kapel, waarin zich het beroemde Christusbeeld van Dannecker bevindt. Verdere bezienswaardigheden in de parken van het slot zijn een prachtige, van hemelsblauw Siberisch marmer gebouwde brug over een kanaal, dat twee meren verbindt, een pyramide van graniet, als gedenkteeken van de drie lievelingshonden van keizerin Catharina 11, gedenkteekens van aanzienlijke Russen, een Najade met een gebroken kruik, een oud-Frankische hermitage, de oude tuin van Catliarina 11 en het Meer met liet Zwaneneüand en een concertzaal. Merkwaardig is verder een prachtige ijzeren triomfboog, door Alexander 1 aan den weg naar Pawlowsk opgericht, met het opschrift: „Aan mijn dierbare wapenbroeders". Het tuighuis is naar de Hermitage te St. Petersburg overgebracht. Ten N.W. van Zarskoje Selo ligt Poelkowa. Sedert 1841 worden er jaarlijks groote wedrennen gehouden. Wegens haar gezonde ligging wordt de plaats door vele aanzienlijke inwoners van St. Petersburg tot zomerverblijf gekozen. Van Zarskoje Sélo naar Pawlowsk treft men een onafgebroken reeks buitenverblijven aan. Tot de plaats behoort de kolonie Freudenthal en het dorp Koesmino. In het distrikt Zarskoje Selo ligt nog het goed Zarskoja Slawanka met een tuinbouwschool en een aantal fabrieken.

Zasio, Andreas von,een Hongaarsch godgeleerde, geboren te Rosnau in Hongarije, studeerde in de wijsbegeerte en in de godgeleerdheid en werd hoogleeraar in de Bijbelsche uitlegkunde aan het seminarium te Boedapest. Toen Jozef 11 de orde der Praemonstratensers, waartoe Zasio behoorde, ophief, wijdde hij zich aan de opvoedkunde, totdat hij in 1806, bij het herstel der orde, proost van deze te Jaffa werd. Hij overleed aldaar in 1816. Van zijn geschriften noemen wij: „Hermenentica sive ratio interpretandi sacram scripturam antiqui foederis" (1796). Een dergelijk geschrift met betrekking tot het Nieuwe Testament zag het licht in 1805.

Zasius. eigenlijk Zaesi of Zesy, Ulrich, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren te Konstanz in 1461, studeerde te Tübingen in de rechten, trad te Konstanz in dienst van de bisschoppelijke curie, werd president van de bisschoppelijke kanselarij en bekleedde tegelijkertijd een betrekking bij het stadsbestuur. Vervolgens werd hij stadsschrijver te Frei-

burg in de Breisgau en studeerde aldaar in de rechtswetenschappen, vooral onder leiding van Paulus de Cittadinis. In 1496 kwam hij aan het hoofd van de Latijnsche school. Na zijn promotie tot doctor legum hield hij aan de universiteitvoorlezingen over rechtsgeleerdfieid, welsprekendheid en dichtkunst. Van 1502—1511 was hij ook stadsschrijver bij het gerecht en sedert 1503 rechtsconsulent aan de universiteit. In 1506 werd hij tot gewoon hoogleeraar benoemd. Hij bewerkte o. a. statuten van Freiburg en het wetboek van het markgraafschap Baden over testamenten, erfenissen, voogdij enz. van verschillende adellijke families. Aanvankelijk helde hij tot de Hervorming over, doch sloot zich, evenmin als Erasmus, met wien hij bevriend was, bij den nieuwen godsdienst aan, waardoor een breuk tusschen hem en Luiker ontstond. Toch werden zijn geschriften na zijn dood op den index geplaatst. Hij schreef: „Quastiones de parvulis Judaeorum baptizandes" (1508), „Lucubrationes" (1508, 1526 en 1532), „Intellectus juriscivilissingulares", „Antinomiarum dissolutiones" en „In usum feudorum epitome" (1535, 1538 en 1600). Hij overleed den 248ten November 1536 te Freiburg. Volledige uitgaven van zijn werken verschenen in 1548, 1550, 1551 en van 1530—1595.

Zastrow. Adolf von, een Pruisisch generaal, geboren te Dantzig den lld<m Augustus 1801, trad in 1819 als tweede-luitenant in dienst, werd in 1836 geplaatst bij den generalen staf, kommandeerde in 1848 als majoor een brigade, daarna een divisie van het Sleeswijk-Holsteinsche leger, keerde in 1850 naar Pruisen terug, was in 1852 kommandant van Straalsund, voerde als kolonel eerst het Alexanderregiment en daarna de 19de brigade aan en werd in 1863 luitenant-generaal en kommandant van de li"'' divisie. Hij droeg in 1866 aan het hoofd van zijn divisie veel bij tot de overwinning bij Königgratz, kwam daarop als generaal aan het hoofd van het 7de legerkorps, onderscheidde zich in 1870 en 1871 bij Spichern, Metz en in Bourgondië, ontving in 1873 pensioen en overleed te Berlijn den 12den Augustus 1875. Hij schreef: „Handbuch der vorziiglichsten Systeme und Muster der Befestigungskunst" (1828, 3de druk, onder den titel „Geschichte der bestandigen Befestigung" 1854) en „Carnot und neuere Befestigung" (1840).

Zaterdag-, de zevende dag van de week (zie aldaar), ontleent zijn naam aan Saturnus. Bij de Joden is deze dag, SaVbath genaamd, de wekelijksche rustdag; zie Sabbath.

Zauner, Franz, een Oostenrijksch beeldhouwer, geboren in 1746 te Felpatan in het Boven-Inndal Tirol), studeerde te Weenen, vertoefde van 1776— 1781 te Rome, waar hij den invloed van Mengs onderging, werd in 1781 leeraar, in 1784 professor aan de Academie voor Schoone Kunsten te Weenen, in 1796 hofbeeldhouwer, in 1806 directeur van de klasse van schilders en beeldhouwers en overleed aldaar den 3denMaart 1822.Tot zijn kunstwerken behooren: het reusachtige ruiterstandbeeld van Jozef II teWeenen, waarvoor keizer Frans I hem in 1807 adeldom verleende met den titel van „Edler von Felpatari het praalgraf van Leopold II in de kerk der Augustijnen te Weenen, dat van den dichter Collin in de Karlskerk aldaar, een standbeeld van Laudon in het park te Hadersdorf en een groot aantal borstbeelden.

Zaunslifer. Petrus, een Nederlandsch schrij-

Sluiten