Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zecchino. in het Fransch sequin, is de naam r van den Italiaanschen dukaat, oorspronkelijk een s Venetiaansche gouden munt uit het einde der 13dc , eeuw, die haar naam ontleent aan het muntgebouw, i la Zecca. Zij was oorspronkelijk van 23 karaat 10 tot < 11 grein gehalte, zoo groot als een ducaat en had als 1 stempel op de zijde, die geen jaartal droeg, het beeld van den Heiligen Marais, die de kruisvaan overreikt aan den doge. Oostenrijk sloeg tot 1822 zeccliinen i als handelsmunt en bepaalde haar waarde op 133/6 i Oostenrijksche lire of 4 florijnen 311 /• kreutzer. Men i had ook halve, kwart en dubbele zecchinen. Men gaf dien naam verder aan verschillende Turksche en i Grieksche goudstukken, die sedert langen tijd niet meer geslagen worden. De zecchinen van Rome en Bologna, sedert Clemens XIII tot 1834 aangemunt, waren van zeer fijn goud en hadden een waarde van 5,7336 gulden Nederlandsch. Gedurende langen tijd vormden de zecchinen in het O. een algemeen gewild betaalmiddel, evenals de Nederlandsche dukaten, waardoor zij later vervangen werden.

Zechsteen of Schachtsteen is oorspronkelijk de naam van een dichte, grijze, bitumineuse kalksteen soort, welke in Thuringen den koperleisteen bedekt, zoodat men er schachten of mijngangen doorheen moest graven om den koperleisteen te bereiken. Naar den naam van dezen zechsteen heeft men een geheele vorming met dien van zechsteenvorming bestempeld, welke in het noordwesten van Duitseliland tusschen het roodliggende en den bonten zandsteen gelegen is. Deze vorming bestaat in haar eigenaardige ontwikkeling alleen in dat gedeelte van Duitschland. Haar bovenste afdeeling bevat stinksteen, dolomiet, gips, leem en klipzout, de onderste den eigenlijken zechsteen, die benedenwaarts in donkere bitumineuse mergellei overgaat, wier onderste laag veelal koperlei vormt, terwijl deze doorgaans op het grijsof witliggende (een zandsteensoort) rust. Men vindt in den zechsteen slechts weinig soorten van fossielen, sommige van deze zijn er echter in grooten getale en op kenmerkende wijze in voorhanden, zoo o. a. een visch uit de orde der glansschubbigen, de Palaeoniscus Freieslebenii, en een tweeschalig weekdier uit de orde der armpootigen (Brachiopoden) de Productus aculeatus. In het dolomiet vindt men sommige polypen in grooten getale, zoodat zij aan den zoom van het Thiiringer Woud kleine koraalriffen vormen. De zechsteenformatie vormt met het roodliggende het dyas of de permische formatie (zie aldaar).

Zédé. Gustave Alexandre, een Fransch ingenieur, geboren in 1825 te Parijs, bezocht sedert 1843 de polytechnische school en trad vervolgens als leerlingingenieur in dienst bij de marine. In 1863 werd hij ingenieur 2dc klasse, in 1867 ingenieur l8te klasse. In 1877 werd hij directeur van de scheepswerken. Vervolgens nam hij zijn ontslag uit den staatsdienst en werd benoemd bij de Société des forges et chantiers de la Méditerranée, waarvan hij ook lid van het bestuur werd. In deze betrekking vervaardigde hij het ontwerp van de onderzeesclie boot Gymnote, die het voorbeeld werd voor alle latere Fransche booten. Hij overleed in 1891 te Parijs.

Zedekia (Hebreeuwsch: Zidkya = „God is mijn gerechtigheid"), de laatste koning van het lijk Juda, de derde zoon van Jozia, heette oorspronkelijk Matanja. Nebucadnezar stelde hem, in 597 v. Chr., nadat hij koning Jojakim had doen wegvoeren, tot koning van Jiida aan. Toen Zedekia in 588 beproefde

net Egyptische hulp zich van de Babylonische heerchappij los te maken, sloot Nebucadnezar hem in leruzalem in, nam hem in 586 op de vlucht gevallen bij Jericho, doodde zijn zonen, stak hem de logen uit en liet hem naar Babvlon brengen, waar lij in de gevangenis stierf.

Zedekunde. Zie Zedeleer.

Zedeleer, Zedekwnde of Ethica, ook wel Prakische wijsbegeerte of Moraalphilosofie genoemd, is dat leel van de wijsbegeerte, dat de zedelijke waarde mderzoekt van het menschelijk willen of handelen. Volgens deze bepaling hebben de mensclielijke wilsïitingen dus een bepaalde zedelijke waarde en kan nen voorschriften geven, waaraan zij moeten beantwoorden om zedelijk genoemd te worden. Uit de geschiedenis en de volkenkunde blijkt echter voortdurend, dat de begrippen omtrent datgene, wat zedelijk of niet zedelijk genoemd wordt, bij verschillende volkeren zeer ongelijk zijn en dat zij bij eenzelfde volk voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Ook bij eenzelfde individu ondergaan deze begrippen wijzigingen. Deze omstandigheden hebben de vraag doen ontstaan, of het inderdaad wel mogelijk is algemeen geldige voorschriften te geven en of het niet veeleer de taak van de ethica is de menschelijke wilsuitingen te onderzoeken niet met betrekking tot hun zedelijke waarde, maar zooals zij inderdaad zijn. Sommige wijsgeeren maken verschil tusschen zedeleer en zedekunde; zij noemen zedekunde de wetenschap, die zich bezighoudt met de zeden, zooals zij zijn, terwijl zedeleer volgens hen handelt over de zeden, zooals zij behooren te zijn. Het is in elk geval in de eerste plaats de taak van deze wetenschap, uit het rijke materiaal, dat de geschiedenis van zeden, godsdiensten en rechtstoestanden, de anthropologie en de ethnografie haar leveren, een overzicht te verkrijgen over datgene, wat in den loop der tijden in zedelijk opzicht als goed of kwaad heeft gegolden. Dit gedeelte wordt dan meer in het bijzonder zedekunde genoemd. Eerst op dezen historischen grondslag kan de ethicus verder bouwen en de algemeene grondbeginselen opstellen, waaraan een wilsuiting moet beantwoorden om zedelijk te heeten. In de derde plaats komt de vraag naar het wezen en den oorsprong van de zedelijke normen in aanmerking. Volgens het ethisch apriorisme is den menscli een gevoel voor het zedelijk goede aangeboren, volgens het ethisch empirisme is dit gevoel een gevolg van de Ontwikkeling van de menschheid. Verder is volgens het ethisch individualisme het zedelijk gevoel individueel. volgens het ethisch universalisme is het een uiting van de algemeenheid. Deze vragen te beantwoorden is de taak van de theoretische ethica, en op grond daarvan kan de praktische ethica de gevonden resultaten tot een stelsel vereenigen. De zedeleer is een hulpwetenschap voor de opvoedkunde, de rechts- en staatswetenschappen.

Als de beginselen van een praktische zedeleer kan men de spreuken beschouwen, die de uitdrukking zijn van de levenswijsheid van het volk, zooals die van de „zeven wijzen" in Griekenland. De oudste samenvattingen van ethische beginselen zijn afkomstig van de groote stichters van godsdiensten, zooals Mozes, Boeddha en Zarathustra. De stichter van de eigenlijke wetenschappelijke zedeleer is Socrates, die in tegenstelling met de Sofisten (zie aldaar), die alle begrippen als subjectief en willekeurig beschouwden, de grondbegrippen van de zedelijkheid uit de

Sluiten