Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijke rede zelf trachtte af te leiden. Socrates en de oudste Grieksche zedeleeraars in het algemeen zochten den grond van de ethica in de onderlinge verhouding van de raenschen en waren van meening, dat de zedelijke doeleinden reeds in het aardsche leven te bereiken waren. Bij Pluto kan men reeds de kiemen naspeuren van de opvatting, die de mensch in betrekking brengt tot een hoogere wereld, waarin de eischen van de zedeleer eerst volkomen tot haar recht komen. Deze opvatting werd door het Christendom verder ontwikkeld. Een gevolg en een gevaar van deze beschouwing is het feit, dat zij licht tot verwaarloozing van de zedelijke plichten van het aardsche leven en tot een onvruchtbare askese leidt. In dit opzicht stemt de Christelijke ethiek met het Boedhisme en de pessimistische leer van Schopenhauer overeen. In den Nieuwen Tijd werd de zedeleer door wijsgeeren als Bacon en Spinoza van een bepaalde godsdienstleer los gemaakt. Bij Bacon sluiten zich een aantal Engelsclie philosofen aan, die de zedeleer empirisch trachtten te ontwikkelen. Spinoza kan men als den voorganger van de speculatieve ethici beschouwen, die het verband tusschen het zedelijkheidsbegrip en een algemeene metaphysische wereldbeschouwing trachten te verklaren.

De ethische stelsels kan men in hoofdzaak tot twee groepen brengen, n. 1. de autoritatieve, die zich onvoorwaardelijk op een als autoriteit aangenomen iets beroepen, en de autonome stelsels, die de zedewetten trachtten te verklaren. Autoritatief is bijv. de godsdienstige ethica, die de zedewetten beschouwt als goddelijke wetten, die als zoodanig, geheel afgezien van haar inhoud, nageleefd moeten worden. De autoritatieve zedeleer verklaart niet, zij neemt slechts aan. Autoritatief is ook het eudaimonisme (zie aldaar), dat optreedt als egoïsme (zie Zei/zucht) of als utilitarisme (zie aldaar). Terwijl het eudaimonisme het geluk als laatste doeleinde aanneemt, ziet het evolutionisme dit in de volkomenheid. Het individueel evolutionisme beoogt de volmaaktheid van het individu, het universeel evolutionisme van het wereldgeheel. De autonome ethische stelsels trachten de motieven van het zedelijk handelen op te sporen. Hierbij onderscheidt men weder in hoofdzaak twee richtingen, n.1. het stelsel, dat de motieven afleidt uit de rede, en dat, hetwelk ze afleidt uit het gevoel. Karakteristiek voor de ontwikkeling van de ethica in den tegenwoordigen tijd is van den eenen kant de herleving van het alle zedelijke normen loochenende ethisch scepticisme, waartoe Nietzsche den stoot gaf, en van den anderen kant het streven van de Ethische beweging (zie aldaar), die een zedeleer voor het volk vrij van alle dogma's tracht te bevorderen.

Zedenpolitie is de naam van het geheel van de maatregelen ter verzekering van de openbare zedelijkheid en van de organen, welke met de uitvoering daarvan zijn belast. Daartoe behooren de maatregelen tegen of ook tot reglementeering van de prostitutie en die tegen de publicatie van onzedelijke geschriften en voorstellingen. Verder vormen de contröle over koffiehuizen en hotels, schouwburgen, openbare dansgelegenheden en soortgelijke openbare gelegenheden tot vermaak een terrein voor de bemoeiingen der zedenpolitie. Ook het toezicht op plaatsen, waar gelegenheid tot kansspel wordt gegeven, handhaven van de orde bij godsdienstige plechtigheden, het tegengaan van ontheiliging

van den Zondag moet er toe gerekend worden. In sommige landen behoort ook het waken tegen concubinaat, voor zoover daardoor openlijk aanstoot gegeven wordt, tot de taak van de zedenpolitie.

Zedenwet (Zedelijke norm). Zie Zedeleer.

Zedlitz, Karl Abraham, vrijheer von, een Pruisisch staatsman, geboren den 4den Januari 1731 te Schwarzwalde bij Landeshut, bezocht de ridderacademie te Brandenburg en het Carolinum te Brunswijk, werd in 1755 referendaris bij het kamergerecht, in 1759 opperregeeringsraad te Breslau en in 1770 geheim staatsraad in werkelijken dienst en minister van Justitie. Sedert 1771 bezat hij ook de portefeuille van Eeredienst. Hij verbeterde de gevangenissen, zorgde voor de stichting en hervorming der volksscholen en riep een hooge directie van onderwijs in het leven, die onafhankelijk was van de Kerk. Bij het proces van den molenaar Johann Arnold weigerde hij het onrechtvaardig vonnis van den koning met zijn handteekening te bekrachtigen, waardoor hij gedurende eenigen tijd in ongenade was. Na den dood van Frederik den Groote legde hij den 3den Juli 1788 de portefeuille van Eeredienst neder en trad den 3den December 1789 af als minister van Justitie en als bestuurder van de ridderacademie te Liegnitz. Daarop vertrok hij naar zijn goederen in Silezië en overleed op Kapsdorf bij Schweidnitz den 18den Maart 1793.

Zedlitz, Joseph Christian, vrijheer von, een Duitsch dichter, geboren den 28Bten Februari 1790 te Johannisberg in Oostenrijksch Silezië, bezocht het gymnasium te Breslau, trad in 1806 in dienst van een Oostenrijksch regiment huzaren, nam als luitenant-kolonel en ordonnansofficier van den prins von Hohenzollem deel aan den veldtocht van 1809, onderscheidde zich vooral in de veldslagen van Regensburg, Aspern en Wagram en het gevecht bij Hausen en vroeg daarna zijn ontslag om zich met het beheer van zijn goederen in Hongarije te belasten. In 1837 werd hij benoemd tot buitengewoon ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken en trad vervolgens op als gevolmachtigde van onderscheiden kleine Duitsche staten bij het Oostenrijksche Hof. Hij overleed te Weenen den 16dcn Maart 1862. Onder zijn „Dramatische Werken"(4 dln., 1830—1836 en 1860) vonden de treurspelen: „Zwei Nachte in Valladolid"(1825), „Der Stern von Sevilla"(1830), en het tooneelspel: „Kerker und Krone"(1834) grooten bijval. Hooger staat hij echter als lyrisch en episch dichter door zijn: „Gedichte"' (1832, 5den druk, 1855), vooral zijn „Totenkranze", „Ein Mausoleum groszer Toten" en zijn ballade „Die Nachtliche Heerschau" werden zeer populair Van zijn dichterlijke verhalen noemen wij: „Waldfraulein"(1843, 4de druk, 1856), „Altnordische Bilder"(1850) en „Soldatenbüchlein"(1848, 3de druk, 1852). Daarenboven heeft hij een voortreffelijke vertaling van den „Childe Harold"(1836) van Byron en een groot aantal vlugschriften en dagbladartikelen geleverd.

Zedlitz-Neukirch. Octavio Athanis, vrijheer von, een Duitsch staatsman, een van de hoofdleiders der vrij-conservatieve partij in het Huis van Afgevaardigden in Pruisen, geboren te Glatz den 6den December 1840, studeerde te Heidelberg en te Berlijn in de rechten, werd in 1860 auscultator, in 1863 referendaris en was van 1864—1865 werkzaam bij het burgerlijk bestuur in de geannexeerdeElbe-

Sluiten