Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hertogdommen. In 1866 nam hij als officier van de landweer deel aan den veldtocht tegen Oostenrijk en werd bij Königgratz zwaar gewond. In 1867 werd hij regeeringsassessor, in 1868 landraad van het arrondissement Sagan en in 1871 onderprefect te St. Quentin. Sedert 1874 was hij werkzaam aan de kanselarij, daarna aan het departement van Koophandel en na 1881 als referendaris aan de afdeeling bouwkunst in het ministerie van Openbare Werken. Van 1871 tot 1874 vertegenwoordigde hij het kiesdistrict Sagan-Spottau op den Duitschen Rijksdag en sedert 1876 het derde kiesdistrict van Erfurt in het Huis van Afgevaardigden in Pruisen. In 1899 werd hij voorzitter van de algemeene directie van de maatschappij voor den zeehandel, doch nam nog in hetzelfde jaar zijn ontslag. Hij schreef „Dreiszig Jahre preuszischer Finanz-Steuerpolitik"(1901).

Zee of Oceaan noemt men de geheele samenhangende watermassa, die het vaste land van de aarde van alle zijden omgeeft. Op grond van nieuwere berekeningen neemt men voor deze watermassa een oppervlakte van 365,5 millioen v. km. aan. Daar volgens Bessel de geheele aarde een oppervlakte van ongeveer 510 millioen v. km. bezit, verhoudt zich de wateroppervlakte tot die van het land ongeveer als 2,54 : 1. De groote wezeldzee wordt verdeeld in 5 afzonderlijke zeeën, n.1. de Zuidelijke IJszee ten Z. van den Zuidpoolcirkel, de Noordelijke IJszee ten N. van den Noordpoolcirkel, den Atlantischen Oceaan tusschen den meridiaan

van Kaap de Goede Hoop en dien van Kaap Hoorn, den Grooten Oceaan tusschen den meridiaan van Kaap Hoorn en dien over het zuidelijke punt van Tasmanië en den Indischen Oceaan tusschen de meridianen van Tasmanië en Kaap de Goede Hoop. De Noordelijke IJszee wordt somtijds niet meegeteld, wegens haar relatief kleine oppervlakte, in plaats van de Zuidelijke IJszee dikwijls de Zuider Oceaan gesteld, die alsdan begrensd wordt door een lijn, getrokken over de zuidelijkste punten van Z. Amerika, Afrika en Tasmanië. Terwijl de absoluut grootste diepte van de zee (9636 m.) de absoluut grootste hoogte van het vasteland (8840 m.) slechts ± 800 m. overtreft, bedraagt de gemiddelde diepte van de zee ongeveer 3500 m., die van het land slechts 700 m. Deze cijfers geven, ofschoon zij slechts bij benadering juist zijn, een voorstelling van het verschil tusschen de ruimteverhoudingen van de zee en die van het vasteland. Men vindt in de zeeën reusachtige vlakten van een groote diepte, vooral in den Grooten Oceaan. Het geheele volume van de zeeën bedraagt 1263 millioen kub. km., dat van de vastelanden boven den zeespiegel ± 100 millioen kub. km.

De diepte van de zee werd eerst nauwkeurig onderzocht, toen dit wegens het leggen van telegraafkabels van praktisch belang werd (zie Diepzeeonderzoek). De grootste diepten, die men met volkomen betrouwbaarheid vastgesteld heeft, zijn aangegeven in de volgende tabel:

1

Grootste diepte Jaar van

Plaats van waarneming. ! in meters. waarneming.

Breedte. Lengte. I I I

Noord-Atlantische Oceaan 19°39' N. Br. 66°26' W. L. 8341 1883

Zuid-Atlantische Oceaan 0°11' Z. Br. 18°15' W. L. 7370 1883

Noordzee 58°12'N. Br. 9°20' O. L. 809

Middellandsche Zee 35°45' N. Br. 21°46' O. L. 4400 1891

Golf van Mexico 25° 8' N. Br. 87° 18' W. L. 3875 1878

Noordelijke Groote Oceaan 12°40' N. Br. 145°40' O. L. 9636 1899

Zuidelijke Groote Oceaan 30°28' Z. Br. 176°39' W. L. 9427 1896

Indische Oceaan ; 18° 6' Z. Br. 101°54' O. L. 6459 1900

Noordelijke IJszee ! 78° 5' N. Br. 2°30' W. L. 4846 1868

Zuidelijke IJszee i 58° 5' Z. Br. 35°54' O. L. 5733 1898

De absoluut grootste diepten vindt men niet raidden in den oceaan, maar in de nabijheid van het vasteland of van eilandenreeksen, die in een vroegere geologische periode waarschijnlijk tot het vasteland hebben behoord. Verschillende gedeelten van den oceaan worden soms gescheiden door onderzeesche ruggen. Shelf noemt men dat gedeelte van de zee, dat in de nabijheid van de kust ligt en door zijn flauwe helling feitelijk nog tot het vasteland behoort.

Op den bodem van de zee zetten zich sedimenten af, die men onderscheidt in continentale of kustsedimenten en pelagische of diepzeesedimenten. De eerste bestaan uit de verweeringsprodukten van de kusten of zulke, die de rivieren in zee hebben gevoerd, de laatste uit de overblijfselen van de kleinste organismen en uit vulkanische uitwerpselen. In alle zeeën, o. a. op den bodem van den Atlantischen Oceaan, vindt men groote hoeveelheden globigeri-

nenslib, dat uit de resten van kalkschalige foraminiferen is gevormd. Deze dieren leven in grooten getale dicht bij de oppervlakte van de zee, na hun dood zinken zij langzaam naar de diepte, waarbij de koolzure kalk, die zij bevatten, door het koolzuur in de zee steeds meer wordt opgelost, zoodat op grootere diepten steeds minder kalkslib neerslaat. Beneden 5000 m. diepte komt kalkslib niet meer voor. Op grootere diepten vindt men daarentegen roode en grauwe leem, waarschijnlijk ontstaan uit onoplosbare overblijfselen van organische resten, anorganisch stof en vulkanisch materiaal, het produkt van vulkanische uitbarstingen. Buitendien vindt men op sommige plaatsen diatomeeën- of radiolariënslib, gevormd uit de schalen van genoemde organismen.

Het zeewater is een oplossing van verschillende zouten in zuiver water; zijn zou tachtig-bittere smaak en eigenaardige reuk ontstaan door opgeloste zouten en de bestanddeelen van in ontbinding ver-

Sluiten