Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keerende organische stoffen. Het zeezout is voornamelijk samengesteld uit chloornatrium, chloormagnesium, bitterzout, gips en chloorkalium, welke stoffen overal in een tamelijk constante verhouding worden aangetroffen. Op 100 deelen van het overblijfsel van een hoeveelheid zeewater, die men heeft laten verdampen, vindt men:

Chloornatrium 78,32

Chloormagnesium 9,44

Bitterzout 6,40

Gips 3,94

Chloorkalium 1,69

Verschillende stoffen 0,21

Wanneer een hoeveelheid zeewater van 1000 gr. biiv 37 er. aan vaste stoffen bevat, dan is de hoe-

37 x 78,32

veelheid chloornatrium van deze massa yqq

gr. = 29 gr. Op de zelfde wijze kan men de hoeveelheid van de andere zouten berekenen. Wij krijgen dan:

Chloornatrium 29 gr.

Chloormagnesium ...: 3,5 „

Bitterzout 2,4 „

Gips 1,4 „

Chloorkalium 0,6 „

Verschillende stoffen 0,1 „

Ofschoon dus de samenstelling van het zout overal en onder alle omstandigheden nagenoeg dezelfde is, bestaat er een groot verschil in de totale hoeveelheid zout, die verschillende soorten van zeewater en die één soort onder verschillende omstandigheden bevat. Deze hoeveelheden vast te stellen is een van de voornaamste verrichtingen van het zeeonderzoek. Men is gewoon alleen het chloorgehalte van het zeewater door maatanalyse te bepalen en berekent dan met behulp van den constanten coëfficiënt

zoutgehalte gemakkelijk het totale zout-

chloorgehalte

gehalte. Ook kan men het soortelijk gewicht (S. G.) van het zeewater door middel van een areometer bepalen en het tot een bepaalde temperatuur (bijv. 17,5° C.) reduceeren. Neemt men het gewicht van een L. zoet water (1000 gr.) van 17,5° C. temperatuur als eenheid, dan is het S. G. van zeewater 1,024—1,028, daar het gewicht van 1 L. zeewater afwisselt tusschen 1024—1028 gr. Tegenwoordig herleidt men algemeen het S. G. van zeewater tot 0° in vergelijking met het S. G. van zoet water bij 4° C.

Door onderzoekingen van Suesz, Von Richthofen en Kriimmel is men tot een waarschijnlijk juiste hypothese omtrent het ontstaan van het zoutgehalte van zeewater gekomen. Zij nemen aan, dat het zeewater van het begin af aan zout geweest is en dat het zout bijv. niet door rivieren is aangevoerd, zooals men vroeger algemeen meende. Tegen de vroegere hypothese spreekt in de eerste plaats de reusachtige massa zout, die de zee bevat. Wanneer men een gemiddeld zoutgehalte van 35 per 1000 aanneemt, zouden de vaste stoffen na verdamping van het water de geheele oppervlakte van de aarde met een laag van 60 m. dikte kunnen bedekken. In de tweede plaats maakt de zeer verschillende samenstelling van zeewater en rivierwater het onwaarschijnlijk, dat het zout door de rivieren zou zijn aangevoerd. Suesz neemt aan, dat bij de vorming van de aardkorst door

geweldige uitbarstingen zouten en waterstof onder hooge drukking en hooge temperatuur uit het inwendige van de aarde geperst werden, waarna de waterstof zich met de zuurstof van de lucht tot water verbond en met de zouten de wereldzee vormde. Het zoutgehalte neemt toe door verdamping en ijsvorming en vermindert door neerslag en het smelten van ijs, plaatselijk ook door toestrooming van zoet water. In verband daarmee is dehorizontaleyerdeeling van het zoutgehalte op den zeebodem gelijkmatig, aan de oppervlakte veranderlijk. Afgezien van afgesloten zeebekkens, is het water aan de oppervlakte van de zee het zoutst in de streken, waar droge winden heerschen, het minst zout in de streken van aequatoriale regens en de natte moesons. Verder neemt in het algemeen het zoutgehalte van de hoogere breedten naar de passaatstreken en van de kusten naar de open zee toe. De volgende tabel toont het zoutgehalte pro mille en het S. G. bij 17,5° C. van zeewater op verschillende plaatsen aan:

1 z?"f:Js.G.bij geh&lte -jrj co p

p?omille.!17'5 C

Atlant. Oceaan op + 25° N.Br. 37 1,02826

Noordzee enSkagerrak 33 1,02521

Kattegat en Sont 16 1,01225

Oostzee bij Gotland 7 1,00539

Zwarte Zee 18 1,01378

Middellandsche Zee bij Kreta . 39 1,02980

Noorden van de Roode Zee ... 40 1,03058

Groote Oceaan op i 30° N.Br. 35 1,02674

± 50° Z. Br. van de wereldzee 34 1,02597

De gassen, die het zeewater bevat, zijn zuurstof, stikstof en koolzuur. Terwijl de dampkringslucht 21 deelen zuurstof en 78 deelen stikstof bevat, bevindt zich in het zeewater lucht, samengesteld uit 30—35 deelen zuurstof en 70—65 deelen stikstof. Deze eigenschap van het zeewater n.1. dat het in staat is een groote hoeveelheid zuurstof te absorbeeren, is van groot belang voor alle zeedieren, die door kieuwen moeten ademen. De hoeveelheid koolzuur te bepalen is zeer moeilijk; gemiddeld kan me» ongeveer 40 kub. cm. C02 in 1 L. zeewater van 0° C. aannemen. Het koolzuur is altijd gebonden aan de neutrale en zure zouten van het zeewater. Het gehalte aan koolzuur en zuurstof is in hooge mate afhankelijk van het leven van de lagere organismen.

Het vriespunt en het maximum van dichtheid van het zeewater wijkt van dat van zuiver water af, zooals blijkt uit de volgende tabel:

„ , . ,, ,r . , Maximum van

Zoutgehalte. Vriespunt. dichtheid bij:

0% 0° C. +4° C.

1% — 0,5° C. + 1,8° C.

2% —1,1° C. — 0,3°C.

3% —1,7° C. — 2,5°C.

4% — 2,2°C. — 4,5°C.

De grootste dichtheid van zeewater van meer dan 2 % zoutgehalte ligt dus onder het vriespunt. Daardoor ^duurt bij een lage luchttemperatuur de ver-

Sluiten