Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genstelling met de landplanten, vertoont de zeeflora op hooge breedtegraden juist een rijke ontwikkeling. De voornaamste zeeplanten zijn de algen (zie aldaar), inzonderheid het zeewier.

De zeefauna bestaat uit vertegenwoordigers van alle klassen, met uitzondering van de amphibieën en de duizendpooten; de verschillende klassen zijn echter zeer ongelijk vertegenwoordigd. Weinig talrijk zijn de insekten en de spinachtige dieren. Men vindt echter een soort zeemijt, die alleen in zee en wel aan de kust voorkomt, terwijl ook de pyknogoniden, die tot de spinachtigen behooren, echte zeedieren zijn. Waarschijnlijk behoort ook de Molukkenkreeft tot deze klasse. Raderdieren zijn in zee eveneens zeldzamer dan op het land; ook reptiliën komen, afgezien van schildpadden, die ondertussclien op het land hun eieren leggen, en zeeslangen, niet dikwijls voor, terwijl krokodillen zich af en toe in zee begeven. Alle zeevogels gaan aan land om te broeden; de meeste kunnen ook vliegen. Overigens zijn vele soorten geheel (vetganzen, alken, stormvogels) of tenminste bijna geheel (cormoranen, meeuwen) aan zee gebonden. Sommige zoogdieren begeven zich nu en dan in zee (zeeotters), andere verlaten haar nu en dan om aan land te gaan (zeehonden en robben), terwijl nog andere soorten (walvisschen en sirenen) altijd in zee blijven. Visschen komen er in zeer vele soorten voor. Van de slakken en platwormen vindt men waarschijnlijk in zee en op het land of in zoet water, ongeveer even veel orden, en hetzelfde geldt van de visschen, schaaldieren, mosdiertjes, snoer en ringwormen en weekdieren. Bijna uitsluitend zeebewoners zijn de holtedieren. de koppootigen, de pijlwormen, de armpootigen, de hoornachtige en kalkachtige sponsen, de hexaktinelliden en tetraktinelliden, de anthozoën, sommige kwallen en radiolariën.

Het aantal diersoorten, dat in zee leeft, is misschien geringer, dan het aantal land- en zoetwaterdieren tezamen, de hoeveelheid dierlijke stof is veel grooter, daar de zeedieren veel grootere scharen vormen dan de landdieren en daar voor dieren geheel onbewoonbare plaatsen in zee zeldzaam zijn. Naar de plaats waar de dieren voorkomen, kan men ze in verschillende groepen onderscheiden. De groep, die tusschen de grenzen van ebbe en vloed leeft, bestaat grootendeels uit gepantserde dieren, die zich of aan rotsen, steenen enz. vasthechten, óf bij het droogloopen van het strand in het vochtig zand of slijk ingraven, of zich onder steenen, wierbundels enz. verbergen. De kustdieren komen voor van de streek, waar de laagste ebbe reikt, tot de grens van de zeeplanten. Meestal zijn de kustdieren bont gekleurd; zij leven op den bodem, op rotsen, in rotskloven, tusschen zeeplanten enz., terwijl koraaldieren in de openingen tusschen de koraalriffen voorkomen. De pelagische oppervlaktedieren treft men tot op 300 m. diepte aan, de meeste zijn doorzichtig en kleurloos of blauw, bezitten uitstekende bewegingsorganen en hydrostatische toestellen als luchtkamers of oliedroppels. De pelagische wierdieren of sargassodieren hebben meestal de kleur van zeewier en zijn voorzien van organen, waarmee zij zich kunnen vasthechten. De laatste groep wordt gevormd door de dieptedieren. Eigenaardig is, dat juist in groote diepten der zee zulk een rijk dierlijk leven wordt aangetroffen (zie Diepzeeleven).

De zee levert talrijke produkten en is voor geheele

volken een middel van bestaan. De kracht, geleverd door den golfslag en ebbe en vloed heeft men aan verschillende doeleinden trachten dienstbaar te maken, tot dusver echter zonder veel succes. Door verdamping van het zeewater wordt keukenzout, uit het moederloog andere zouten en broom verkregen. Uit de asch van wiersoorten worden jood en kalizouten bereid. Andere wiersoorten worden als voedingsmiddel, veevoeder en meststof gebruikt; ook geneesmiddelen verkrijgt men uit sommige zeeplanten. Verder noemen wij het barnsteen en het veel tot vulling gebruikte zeegras. De jacht op walviscliachtige dieren geeft aan vele menschen werk en levert voornamelijk balein en traan. Het belangrijkste deel van de groote visscherij is de vangst van schelvisch en haring. Schildpadden, schaaldieren, weekdieren, koppootigen, zeeegels en tripang worden op verschillende plaatsen gevangen en gegeten. Van de schildpadden krijgt men bovendien het bekende schildpad, zeehonden leveren zeehondenleer, verschillende zoogdieren een soort ivoor, de potvisch walschot en amber. Belangrijke voortbrengselen uit de zee zijn verder: parelen, parelmoer, koraal en sponsen. Uit de schelpen, die in groote hoeveelheden aan het strand gevonden worden en soms uit koraalriffen, wordt een soort kalk bereid.

Zee, Rijksinstituut voor het onderzoek der, een rijksinrichting, gevestigd te Den Helder, waarvan het reglement bij koninklijk besluit van den 3den April 1903 is vastgesteld, heeft ten doel het onderzoek van de natuurkundige verschijnselen, zoowel als van de levende organismen in de Noordzee en in de daarmede in gemeenschap staande zeeën, voor zoover deze verschijnselen en organismen beteekenis hebben voor de kennis van de levenswijze, van het voorkomen en van de verspreiding der voor het visscherijbedri ji gewichtige dieren, alsmede het onderzoek van alles wat voor dat bedrijf zelf, in verband met deze regeling, van belang is.

Dit onderzoek geschiedt in overeenstemming met het programma, dat daarvoor op de in Mei 1901 te Christiania gehouden samenkomst van gedelegeerden van België, Denemarken, Duitschland, Finland, Groot-Britannië, Nederland, Noorwegen, Rusland, en Zweden is vastgesteld en met inachtneming van de wijzigingen en aanvullingen, die op de in Juli 1902 te Kopenhagen gehouden bijeenkomst van den permanenten Internationalen Raad voor het onderzoek der zee (zie aldaar) zijn aangenomen of in latere bijeenkomsten van dat lichaam mochten worden vasgesteld.

Aan het instituut kan voorts door den minister van Landbouw, Nijverheid en Handel het doen van andere wetenschappelijke onderzoekingen in het belang der visscherij worden opgedragen.

Aan het hoofd van het instituut staat een directeur. Onder den directeur worden een of meer assistenten, en voor zooveel noodig, andere ambtenaren en bedienden werkzaam gesteld. Zij worden door de koningin benoemd, geschorst en ontslagen.

De behartiging van de belangen van het instituut en het rechtstreeksch toezicht op de werkzaamheden van het instituut en het beheer van den directeur zijn opgedragen aan een commissie van toezicht van vijf leden, die door de koningin worden benoemd en ontslagen en uit wier midden de voorzitter en de secretaris door de koningin worden aangewezen.

De voorzitter en een door de koningin aan te wij-

Sluiten