Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeebeer BeerroV of Oorrob (Otaria ursina) is de naam van een zoogdier, dat tot de familie van de oorrobben en tot de orde van de robben behoort. Het dier bezit normale hoektanden, kleine oorschelpen, een langen hals, vrij ver uit het lichaam te voorschijn tredende ledematen, even lange achterteenen, van de binnen- naar de buitenzijde kleiner wordende voorteenen en kale, overlangs gegroefde voetzolen. De mannetjes worden in den regel twee maal zoo groot en 3 a 4 maal zoo zwaar als de wijfjes; eerstgenoemde dieren bereiken een lengte van 2 a 2,6 m. De zeebeer komt aan de kusten van ZuidWest-Afrika en Patagonië, op de Falklandseilanden, Nieuw-Zuid-Schotland, Zuid-Georgië, in den Indischen Oceaan en in de Beringszee voor. Zijn haar is aan den hals en op de voorzijde tamelijk lang, het bovenhaar is stijf, het benedenhaar bijzonder zacht en fijn. Het is donkerbruin tot zwart, aan den kop, den hals en het bovenlichaam wit gesprenkeld; oude wijfjes en jonge dieren zijn zilvergrijs. De zeeberen leven meest in de open zee en maken verre zwerftochten; alleen in den paartijd komen zij aan land. Elk mannetje heeft 9—15 soms nog meer wijfjes; elk wijfje brengt een, zelden twee jongen ter wereld. Op het land is het dier zeer vlug; hetheeft een taai leven. Om den kostbaren pels en om het vleesch wordt het dier ijverig gejaagd, zoodat hun aantal sterk afgenomen is; alleen in den laatsten tijd nemen zij weder eenigszins toe.

Zeebeving-en noemt men de bewegingen van de zee, die door trillingen van den zeebodem of van de kuststreken ontstaan. De kracht en de duur van de schokken is zeer verschillend; zij worden gevoeld als schokken van onderen naar boven (succusorisch), of als zijwaartsche bewegingen (undulaiorisch). Magnetische storingen komen daarbij dikwijls voor. De zeebevingen, die door de trillingen van den zeebodem, soms ook door gelijktijdige on-' derzeesche vulkanische uitbarstingen ontstaan, kenmerken zich door het opbruisen en de temperar tuursverhooging van het water, soms ook, wanneer zij op een niet al te groote diepte plaats hebben, door een donderend eeraas. het uitwernen van

damp, vuur- en rookzuilen, lava, puimsteen en hooge waterzuilen. De schokken, die door trillingen van de kuststreken, dus door aardbevingen (zie aldaar) veroorzaakt worden, doen de vloedgolven ontstaan. Deze golven hebben een groote snelheid (400—700 km. in het uur), een groote golflengte en een groote golfperiode. Wanneer zij de kust treffen, richten zij groote verwoestingen aan. Bekend zijn de vloedgolven van Arica op den IS1180 Augustus 1868, van Iquigue van den 9aen Mei 1877 en de zeebeving, die tengevolge van de uitbarsting van den Krakatau in 1883 ontstond.

Zeeblaas, Bezaantje, Bij-den-wind-zeiler of Portugeesch oorlogsschip (Physalia) is een naam van een geslacht uit de klasse van de

riDKwauen, waarvan sommige soorten de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan bewonen. Deze dieren leven in koloniën, waarvan de stam zich van boven tot een groote blaas met een aanzienlijke luchtkamer verwijdt, die door een opening met de buitenwereld in gemeenschap staat. Onder aan deze blaas hangen naast elkander voedingspolypoïden, tasters, waaraan medusoïde knoppen tot ontwikkeling komen, en zeer lange vangdraden. Deze

kwallen hebben prachtige kleuren. De vangdraden veroorzaken bij het aanraken een stekende pijn.

Zeebodem. Zie Zee en Diepzeeonderzoek.

Zeebots, Willem, een Zuid-Nederlandsch letterkundige, geboren te Leuven den 22sten Mei 1625, werd in 1649 tot priester gewijd, verwierf aan de hoogeschool van zijn geboortestad den graad van bachelier en werd daarop kapelaan en in 1667 pastoor te Wakkezeele. Hij overleed den 8a,en Juli 1690. Van zijn geschriften vermelden wij: „Nederduytsche gedichten, bestaande in eenige treurspelen enz." (2 dln., 1662 en 1687).

Zeebrasems (Sparidae) is de naam van een fa^ milie van zeevisschen uit de orde der Beenvisschen (Teleostei), en de onderorde der Slekelvinnigen (Acanthoplerygii). Zij hebben een tamelijk lang, sterk zijdelings samengedrukt lichaam, met uitzondering van den snuit en de kaken,bekleedmettamelijkgroote, dunne, aan den achterrand getande schubben. Hunne tanden zijn zeer verschillend van vorm. Het gehemelte is in den regel tandeloos. Van de goed ontwikkelde rugvin is de voorste helft gestekeld, terwijl de achterste helft door gelede vinstralen wordt gesteund. Het voorste deel der anaalvin heeft drie stekels. De borstvinnen zijn meestal vertakt, de buikvinnen borststandig en worden gesteund door één stekel en 6 gelede stralen. De Zeebrasems bewonen de kusten van de tropische en gematigdeaardgordels. Zij voeden zich met schelp- en schaaldieren of zeeplanten; ook maken ze wel jacht op kleine visschen. Zij worden niet groot, doch de meeste soorten worden door den mensch genuttigd, zoodat hunne economische beteekenis niet geheel onbelangrijk is. Van de meer dan 160 bekende soorten noemen we: 1°. de Geilbrasems (Sargus), welk geslacht een 20-tal soorten omvat en wier gebit aan dat van de Herkauwers herinnert. Eén van de grootste soorten is de Schaapsbrasem., de Sheepshead van de Amerikanen (Sargus ons) (zie de afbeelding), welke aan de Atlantische kust van Noord-Amerika veel gevangen wordt, een lengte van 60 cm. bij een gewicht van 8 kg. bereikt en om haar smakelijk vleesch hoog geschat wordt. De

Sargus ovis.

romp is zilverkleurig met 6 of 7 donkere dwarsbanden over den rug en de zijden; de vinnen zijn bijna zwart. — 2°. De Goudbrasems (Chrysophrys), waarvan een 20-tal soorten in de tropische zeeën en de warmste deelen der gematigde zone bekend zijn. Zij hebben voor in den bek kegelvormige tanden, daarachter een drietal rijen maaltanden. De Goudbrasem, (Chrysophrys aurata), door de Franschen Daurade,

Sluiten