Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de Italianen Orada en door de Engelsclien Gilthead genoemd, is een buitengewoon fraai gekleurde visch, die tot 60 cm. lang en 8 kg. zwaar kan worden. Zij bewonen de kusten van de Middellandsche Zee en de Afrikaansclie kusten van den Atlantischen Oceaan, een enkele maal wordt een exemplaar aan de Engelsche kust gevangen. Zij voeden zich hoofdzakelijk met schelpdieren. 3°. De Zeebrasems (Pagellus), welke zich vooral onderscheiden doordat zij hekelvormige voortanden hebben en 2 of meer rijen kleine maaltanden. Men kent een7-tal soorten, welke voor het meerendeel in de Middellandsche Zee en de West-Europeesche kusten gevonden worden. De Noorsche Zeebrasem (Pagellus centronotus) is op den rug grijsbruin met roodachtigen tint, op de zijden zilvergrijs. Het vleesch van deze visch is niet smakelijk, zoodat hare economische beteekenis gering is. Zij komt veelvuldig voor in de Middellandsche Zee en aan de kusten van West- en Noord-Frankrijk. Pagellus lithognathus wordt aan de kusten bij de Kaap de Goede Hoop gevangen. Deze visch, die ruim een meter lang wordt, wordt gedroogd in den handel gebracht en schijnt bijzonder in trek te zijn bij de walvischvaarders. 4°. Pagrus. Hiervan zijn een 13-tal soorten bekend, welke voornamelijk de warmste deelen der gematigde zone bewonen. Pagrus vulgaris, Pagrus auriga en Pagrus bocagii komen voor in de Middellandsche Zee. Pagrus argyrops komt veelvuldig voor aan de kusten van Noord-Amerika en is daar bekend onder de namen: Scup, Porgy of Mishcup. Zij wordt tot 45 cm. lang en 2 kg. zwaar en is een uitstekend volksvoedsel. Veel grooter is Pagrus unicolor, welke aan de kusten van Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland wordt aangetroffen en tot 1 m. lang en 10 kg. zwaar wordt. Ook deze visch, in Nieuw-Zeeland Snapper genoemd, is een uitnemend volksvoedsel.

Zeebrief (Een) is een document, waarvan een zeeschip voorzien moet zijn om de Nederlandsche vlag te mogen voeren. Om van de Nederlandsche regeering een zeebrief te verkrijgen, is noodig dat het schip voor meer dan de helft toebehoort aan ingezetenen van Nederland of aan vennootschappen of vereenigingen die in Nederland gevestigd zijn en waarvan minstens de helft dervennooten of bestuurders ingezetenen van Nederland zijn. De zeebrieven worden afgegeven door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, nadat de aanvrager voor den Kantonrechter, onder overlegging van de vereischte stukken, een beëedigde verklaring heeft afgelegd, dat het schip aan de eischen der wet voldoet. De zeebrieven vervallen door verloop van vier jaren na den dag van afgifte en kunnen daarna worden vernieuwd, indien het schip nog voldoet aan de wettelijke eischen. De schipper is verplicht bij het in- of uitvaren van havens of zeegaten den zeebrief te vertoonen aan de ambtenaren belast met de in- of uitklaring. Valt de schipper van een Nederlandsch zeeschip een vreemde haven binnen waar een Nederlandsch consul, vice-consul of consulair agent gevestigd is, en blijft hij aldaar langer den 24 uren, dan moet hij zich in persoon bij dien ambtenaar vervoegen ten einde zijn zeebrief te doen afteekenen.

Zeedieren. Zie Zee.

Zeedistel. Zie Eryngium.

Zeedonderpad (Cottus scarpius). Zie Schorpioenvisschen (Cottidae).

Zeedraak (Pegasus). Zie Pegasus,

Zeeduikers (Urinatoridae) is een vogelfamilie, die met de familie van de zoetwaterduikers of fuuten (Colymbidae) de groep der duikers (Colymbourinatores) vormt. Het zijn groote en slanke zwemvogels met een langen, spitsen snavel, een middelmatig langen hals, ver naar achteren geplaatste pooten met drie teenen en volledige zwemvliezen, korte vleugels met harde veeren, een korten staart en een dicht vederkleed. Deze familie omvat 4 soorten, waarvan er 3 in Europa voorkomen. De ijsduiker of imbervogel (urinator glacialis) krijgt een lengte van 95 —100 cm. en een breedte van 150 cm., hij is van boven en aan de zijden zwart, met witte vlekken, op den kop en aan den hals groenachtig zwart met een zwart- en witte streep, van onderen wit. Hij komt in de Oude en in de Nieuwe Wereld tusschen 59°—76° N. Br. voor en trekt in den winter soms tamelijk ver zuidwaarts, zwemt goed en vliegt snel, doch beweegt zich op het land kruipend. De poolduiker of parelduiker (urinator arcticus) is kleiner dan de vorige soort, doch is ongeveer op dezelfde wijze geteekend. Hij komt in Noord-Europa minder dikwijls voor, in Siberië en Noord-Amerika is hij veelvuldiger. De roodkelige zeeduiker (urimtor septentrionalis) wordt 65 cm. lang, is aan den voorhals glanzend bruinrood, op den rug bruinzwart, van onderen wit en leeft tusschen 60°—78° N. Br. Van September tot April wordt hij ook zuidelijker, langs de kusten en op groote meren, aangetroffen.

Zeeduinen zijn die duinen, welke langs de zee worden aangetroffen, in tegenstelling met landduinen (zie Duinen).

Zeeduivels (Lophius). Zie Pediculaii (vinarmigen of Duivelvisschen).

Zee-eenhoorn of Eenhoomvisch is een andere naam voor Narwal (Zie aldaar).

Zeeëgels ( Echinordea), (zie de plaat Lagere Zeedieren bij Zeeanemoon) een klasse der Stekelhuidigen, zijn dieren met een bolvormige of ellipsoïdische, somtijds ook met een schijfvormige gedaante, die tot de lagere zeedieren behooren. Het huidskelet bestaat in den regel uit 20. als de meridianen van een bol gerangschikte reeksen van kalkplaten, welke bijna steeds onderling onbeweeglijk verbonden zijns De kalkschaal is met talrijke knobbels bezet, waaraan de stekels zijn bevestigd. Elke stekel is aan de basis omgeven door een scheede met vele spiervezels, zoodat de stekel in alle richtingen kan worden bewogen. Tusschen de stekels liggen de zuigvoetjes en de kleine, tweeof driewangige grijp- en tastorganen (pedicellariën). Zij vervoeren de uitwerpselen naar de bolle zijde van de schelp, waar het dier deze kan laten vallen zonder zich te bevuilen, en grijpen het voedsel. Bij de voortbeweging verlengen zich de zuigvoetjes aan de voorzijde tot buiten de stekels, hechten zich aan een voorwerp vast en trekken het lichaam, balanceerend op de punten der stekels, achter zich aan. Als kauwtoestel (lantaarn van Aristoleles) dient meestal een uit kalkstaafjes gevormde holle pyramide met bijtelvormige tanden, bewogen door spieren. Zeeëgels zonder dit kauwtoestel voeden zich met slijm en de dierlijke en plantaardige bestanddeelen, welke het bevat. De mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen komen bijna steeds ten getale van 5 voor en monden door evenveel openingen in de schaal uit. De zeeëgels zijn gescheiden

Sluiten