Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar het geslacht. Hun ontwikkeling gaat met belangrijke metamorfosen gepaard. Zij zijn uitsluitend zeedieren en worden in alle zeeën aangetroffen, meestal bij de kust, maar ook wel op grootere diepte. Men kent ruim 300 levende en 2 000 uitgestorven soorten. Fossiel komen zij reeds voor in de silurische formatie; in het secundaire tijdvak verkrijgen zij echter eerst de tegenwoordige vormen. Het meest worden zij in de krijt- en de tertiaire vormingen aangetroffen.

Men onderscheidt drie orden. 1 De Regelmatige zeeëgels of zeeappels (Regularia) hebben een centraal gelegen mondopening, een kauwtoestel, en een meestal centraal gelegen anale opening. Hiertoe behooren Dorocidaris Cidaris, welke reeds in de devonische formatie optreedt, en Cidaris glandularia, waarvan de sikkelvormige stekels, welke in het krijt van Palestina worden gevonden, dikwijls als zoogenaamde Jodensteenen (lapides judaici) of als Meloenen van dm berg Karmel naar Europa gebracht worden. Strongylo centrotus lividus (Steenborende zeeappel) komt in de Middellandsche Zee veelvuldig voor. Hij heeft een middellijn van 6 cm., stekels van 2 cm. en bewoont holten in den zeebodem. Hij kan echter ook cirkelvormige gaten in het gesteente boren om er in te wonen. Gedurende den voortplantingstijd bevatten de wijfjes 5 gele, trosvormige eierstokken, welke een smakelijke spijs vormen, zoodat te Marseille jaarlijks duizenden van deze dieren worden verhandeld. Strongylo centrotus nröbrachiensis, iets grooter dan de voorgaande en daarmede verwant, is de meest gewone zeeappel van onze stranden. Diadema setosum heeft echte oogen in den vorm van sterk glinsterende, blauwe vlekken van verschillende grootte. Asthenomaurens en Phormozoma van de familie der Echinothuridae hebben, als alle leden van deze familie, een buigzaam kalkskelet. Verder noemen wij Echinusesculemtus (Groote Zeeappel), die een middellijn van 8 cm. kan bereiken en dikwijls in de Noordzee voorkomt. Zijn eierstokken worden rauw gegeten.

2. De orde der Zeeschilden (Clypiastroidea) omvat zeeëgels met plat, schildvormig lichaam. De mond met het kauwtoestel ligt centraal; de anale opening excentrisch. Bijna alle bewonen warme zeeën. De eenige Europeesche soort, die ook in de Noordzee veelvuldig voorkomt, is Echinocyamus pusillus. Verder noemen wij de fossiele Discoidea en Scutelta.

3. De orde der Zeeklitten (Spatangoidea) omvat zeeëgels zonder kauwapparaat. De Hartegels (Spatangidae) zijn meer of minder hartvormig, met excentrisch gelegen mond- en anaalopening. De meeste zijn diepzeebewoners. Spatangus purpureus (Purperen zeeklit) is 10 cm. lang, 9 cm. breed en 5 cm. dik. Hij leeft in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen Oceaan (ook in de Noordzee) op diepten van 10—400 vademen. Veelvuldiger ontmoet men echter den Echinocardium cordatum (Hartvormige Zeeklit).

Zeeeikel. Zie Balanida.

Zee-engel (Rhina squatina). Zie Haaivisschen (Squalides).

Zeeengte. Zie Zeestraat.

Zeef, een toestel om korrelige stoffen naar de grootte van den korrel te scheiden of om vloeistoffen van vaste bestanddeelen te ontdoen, bestaat uit geweven of gevlochten paardenhaar, me¬

taaldraad enz. of uit doorboorde metaalplaten. Men bevestigt den zeefbodem tusschen twee evenwijdige lijsten en leidt de stoffen over de schuin geplaatste zeef naar beneden, waarbij de fijnere deelen er door vallen (werpzeef) of men bevestigt hem in een ronden spanring, welke met de hand wordt heen en weder geschud (handzeef). Bij grootere zeefinstallaties onderscheidt men verschillende soorten. De planzeef is een vlak raam, aldus opgehangen, dat de hoek, gevormd met den horizon, kleiner is dan de wrijvingshoek. Boven de ?eef is een houten trommel aangebracht, voorzien van een naar de zeef gerichte opening, waarvan de wijdte door een schuif kan worden geregeld. Door een krakbeweging geeft men de zeef een schuddende beweging, wTaardoor telkens een gedeelte van het te zeven materiaal op de zeef komt en naar beneden glijdt, terwijl de fijnere deelen er door vallen. De cylinder- of trommelzeef bestaat uit een cylindrisch geraamte, waarover zeefdoek is gespannen en dat op een hellende as is gemonteerd. Bij het draaien wordt het van boven toegevoerde materiaal tengevolge van de wrijving op zekere hoogte gegrepen, om daarna loodrecht naar beneden te vallen (draaizeef). Men versterkt de werking door in den trommel een draaienden cylinder aan te brengen (centrifugaal zeef). Dikwijls bevinden zich in een zeefinstallatie verschillende zeven boven elkander, om aldus een scheiding in meer dan twee soorten te verkrijgen.

Zeefauna. Zie Zee.

Zeefbeen. Zie Schedel.

Zeeflora. Zie Zee.

Zeeforel of Schotje (Salmo trutta). Zie Zalmvisschen (Salmonidae).

Zeegang, de golfbeweging der zee, wordt in het dagelijksch leven onderscheiden in bewogen en hooge zee. Door waarnemers op een zeewacht, wordt hij naar de volgende schaal aangegeven: 0 = vlak. 1 = zeer rustig, 2 = rustig, 3 = licht bewogen, 4 = matig bewogen, 5 = onrustige (tamelijk ruwe) zee, 6 = ruwe zee, 7 = hoog, 8 = zeer hoog, 9= uitermate hoog.

Zeegaten noemt men de min of meer diepe geulen in een lage kust, die de verbinding vormen tusschen de diepere deelen der zee op eenigen afstand van de kust en de binnen deze gelegen stroomen en zeeboezems met hun vaak zeer diepe geulen of vaarwaters.

Zeegers. Laurentius Theodorus, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Amsterdam den 12ien November 1818, stond van 1843 tot 1873 aan het hoofd van een kostschool en vestigde zich vervolgens ambteloos in zijn geboorteplaats. Van zijn geschriften vermelden wij: „Geschiedenis van Amsterdam" (1850), „Nederlandsche chrestomathie (1847 dikwijls herdrukt), „Nederlandsche spraakkunst", „Logica", „Rhetorica", „Geschiedenis der Nederlandsche letteren", „Rechtlijnig teekenen", „Het gouden tijdperk der Nederlandsche letteren" (1866), „Algemeene geschiedenis van 1814 tot heden" (1868), „Bloemen van Nederlandsche proza en poëzie, een bloemlezing enz." [(1873—1874), alsmede bijdragen in verschillende tijdschriften. Hij overleed te Amsterdam in 1884.

Zeegras. Zie Zeewier.

Zeehanen of Knorhanen (Trigla). Zie Schorpioenvisschen (Cottidae).

Zeehazen (Aplysudae), een familie van de

Sluiten