Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moer gekroesd, van onderen vinspletig of vindeelig, hooger op golfsgewijs getand, nog hooger lancet- of lijnvormig en, evenals de stengel, grijsachtig groen van kleur. De bloemen zijn wit of rozenrood en bevatten 6 meeldraden, van welke de vier langste helmdraden bezitten met tandvormige aanhangselen. Hoewel dit gewas tot de gronte en belangrijke familie der Cruciferae behoort, wijkt het toch bijzonder sterk van de gewone koolsoorten af. In de eerste plaats is de zeekool geen tweejarige, maar een overblijvende plant, in de tweede plaats is de vorm harer bladeren een geheel andere en in de derde plaats wijkt haar oogstproduct sterk van die der andere koolsoorten af. In ons land wordt de zeekool weinig, slechts alleen op buitenplaatsen en dus niet voor den handel gekweekt.

In Engeland daarentegen vindt men geheele streken waar de teelt een middel van bestaan oplevert

Ook bij dit gewas worden in het voorjaar de stengels (bladeren) genoodzaakt zich in een grondlaag te ontwikkelen om geoogst te worden, wanneer de lengte dier deelen voldoende is.

Zeekraal (Salicornia L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Chenopodiaceeën. Het onderscheidt zich door tweeslachtige bloemen, een vleezig, nagenoeg gesloten bloemdek, 1 of 2 meeldraden, een zeer korten stijl met 2 of 3-stempels, een platte vrucht, in het bloemdek besloten, en verticale zaden met een ringvormige of toegevouwen kiem. Op al onze stranden groeit de gewone zeekraal (S. herbacea L.), de eerste plant, die zich ontwikkelt op het alluviaal slib. Zij heeft geen bladeren, maar haar stengel bestaat uit een aantal tonvormige leden, door insnoeingen gescheiden. Die stergel wordt 2 of 3 dm. hoog en is van talrijke zijtakken voorzien, terwijl hij met een min of meer vertakten penwortel in den grond bevestigd is. In Augustus en September vertoonen zich de bloemen, die tot korte, vleezige aren vereenigd zijn. Deze plant wordt als groente genuttigd. Behalve deze eenjarige plant heeft men in ons land nog een tweejarige zeekraal (8. radicans Sm.), die zich onderscheidt door een houtigen voet.

Zeekreeften. Zie Kreeften.

Zeekwallen of medusa-achtige zeenetels zijn gelei-achtige dieren, welke de zee bewonen en eenigszins op paddestoelen gelijken. Zij hebben een ronde, plat-halfbolvormige schijf, onder welke zich de mond bevindt, terwijl zij dikwijls op een steel zijn geplaatst. Aan haar rand bevinden zich doorgaans korte randdraden en daartusschen langere vangdraden. De opperhuid aan de bovenzijde bevat talrijke netelcellen, die bij aanraking een brandende pijn veroorzaken. Bij sommige soorten heeft men in plaats van den mond slechts zuigopeningen, vanwaar buisjes zich uitstrekken naar de maag. De maagholte staat in verband met kanalen, doorgaans vier in getal, die naar den rand leiden. Slechts bij enkele geslachten vindt men sporen van een zenuwstelsel, en men houdt het er voor, dat eenige randlichaampjes (bekervormige blaasjes met een ronde of hoekige kern) zintuigen zijn. In het najaar ziet men soms onze stranden bezaaid met duizende zeekwallen. Men heeft er een zevental soorten waargenomen, doch dit aantal is in de keerkrirgszeeën veel grooter. Hoogst merkwaardig is de ontwikkelingsgeschiedenis van deze dieren, omdat hier een

sterke gedaanteverwisseling optreedt. Men brengt ze tot den stam der Holtedieren (Coelenteraten).

Zeeland (zie de kaart) is na Utrecht de kleinste provincie van ons land en bestaat grootendeels uit eilanden, die in den loop der eeuwen vele veranderingen in vorm en grootte hebben ondergaan. De tegenwoordige oppervlakte bedraagt 179 555 H.A. Door zijn geïsoleerde ligging, van alle kanten door wateren bespoeld, heeft dit gewest vele oude gewoonten en zeden bewaard en bleef hier de oude schilderachtige kleederdracht meer behouden dan in eenige andere provincie van Nederland.

Ligging en grenzen. Zeeland behoort tot de provincies, die aan de Noordzee, tegenover Engeland, liggen, hetgeen gunstig voor handel en scheepvaart is, zoodat beide in vroeger eeuwen dan ook tot de hoofdbronnen van bestaan der bevolking behoorden. In het N. grenst het aan de provincie Z. Holland in het O. aan N.-Brabant, in het Z. aan België en in het W. aan de Noordzee. Behalve aan de Z.zijde heeft het overal natuurlijke grenzen in het water, zoodat de provincie dan ook ten opzichte van de naburige landstreken één aardrijkskundig geheel vormt dat echter onderling versnipperd en verstrooid is. Daardoor hadden de verschillende eilanden een zelfstandige ontwikkeling der volksgewoonten en eigenaardigheden, en het gemis van een geografischen band of een geografisch overheerschend middelpunt belette het gewest tot staatkundige zelfstandigheid te geraken. Langen tijd een twistappel tusschen Holland en Vlaanderen, werd het in de 14de eeuw met het eerste staatkundig vereenigd, en hoewel de geïsoleerde ligging ook daarna aan de bewoners een groote maatschappelijke zelfstandigheid verzekerde, belette van den anderen kant de aardrijkskundige versnippering, een staatkundige scheiding van Holland.

Bodemgesteldheid en grondsoorten.De provincie bestaat nagenoeg geheel uit deltaeilanden, Zeeuwsch-Vlaanderen uitgezonderd. En ook dit gebied bestond nog in historischen tijd uit eilanden. Een kaart uit de 13dE eeuw geeft n.1. ook hier een aantal eilanden te zien, welke als schorren voor de ondiepe Noordkust van den vastenwal van Vlaanderen waren opgeslibd en waartusschen diepere geulen liepen, waardoor het Scheldewater, maar vooral het vloedwater der zee heen en weerstroomde, zonder een bepaalden loop te hebben. Langzamerhand slibden deze wateren dicht en ontstondhet vasteland, waarin nog slechts enkele inhammen diep doordrongen, zooals het Zwin, de Braakman en het Hellégat. En van deze is het eerste in de volgende eeuwen geheel, het laatste zoo goed als geheel verdwenen, terwijl ook de Braakman sterk ingekrompen is. Buiten Zeeuwsch Vlaanderen telde men op genoemde kaart een vijftiental eilanden, waaruit door aan- en opslibbing het tegenwoordige zestal werd gevormd; zoo bijv. ontstond Walcheren uit vier, Schouwen uit zes eilandjes. En van deze werden in nieuweren tijd St. Philipsland en Walcheren, Zuid-Beveland met Noord-Brabant door dammen verbonden.

In verband met de wijze van ontstaan bestaat de bodem aan de oppervlakte geheel uit zeeklei, uitgezonderd de duinen langs de W. kust en eenige plekken in het Z. van Zeeuwsch-Vlaanderen, zooals bij St. Janssteen en Aardenburg, waar men oudere gronden aantreft. Op vele plaatsen rust de zeeklei op laagveen, dat door de drukking der bovenlagen werd

XVI

26

Sluiten