Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behandeld en op beide zijden bewerkt. Hierna spoelt men ze in lauwwarm water uit en brengt ze daarna in een verwarmd, sterk zuur zemelenbad, waarna ze uitgespoeld, uitgeperst of uitgewrongen worden. Vóór het looien worden de huiden herhaaldelijk met traan ingewreven, gevold en soms aan de lucht blootgesteld, zoodat ze maar weinig vet meer kunnen opnemen. Tijdens het luchten wordt een gedeelte van het vet reeds door de huiden opgenomen. Daarna stapelt men ze in een verwarmde ruimte op, waardoor een soort gisting ontstaat, zoodat het vet wordt geoxydeerd. Het leder heeft een gele kleur en een eigenaardigen reuk, die niet meer tranig is. Het bevat echter nog een weinig ongebonden vet en wordt daarom met een lauwwarme oplossing van potasch behandeld, vervolgens wordt het uitgewrongen, gedroogd en gestold. Zeemleer kan ook gebleekt worden, door het met water, een zeepoplossing of een oplossing van potasch te bevochtigen en aan de zon bloot te stellen. Het leer wordt gekleurd door het in een oplossing van eigeel, aluin en water te brengen. Om het geel te verven mengt men oker, krijt en een soort gele lakverf met water en een weinig stijfsel tot een breiachtige massa, die met een borstel op het leer wordt gebracht, deze massa stolt daarna en kan gemakkelijk weder afgeschud worden. Wit zeemleer wordt op dezelfde wijze door een behandeling met krijt verkregen. Ook geeft men het wel andere kleuren.

Zeemijl. Zie Maten en Gewichten.

Zeemijnen, onder water verankerde vaten, ge¬

vuld met springstoffen, worden op bepaalde plaatsen van haven- en riviermondingen aangebracht, om schepen, welker er over varen, in de lucht te doen vliegen. Naar de wijze van ontsteking spreekt men van mechanische mijnen, waarbij door den stoot van het schip een mechanisme wordt ontkoppeld, dat een slag of stoot op de slaghoedjes teweegbrengt, waardoor de ontploffing van het schietkatoen wordt veroorzaakt (fig. 1); mechanisch-electrische mijnen, waarbij de stoot automatisch een electrische ontsteking ontkoppelt (fig. 2); électro-mechanische of electrocontactmijnen, welke met een waarnemingspost te

Fig. 1.

Fig. 2.

Scheikundig werkende mijn.

Tonder van een mechanisch-electrische mijn.

land geleidend zijn verbonden door een kabel, waarin de ontstekingsstroom door den stoot automatisch wordt gesloten, en electrische waarnemingsmijnen, die, op het oogenblik, dat een vijandelijk schip bin¬

nen haar vernielingssfeer komt, van uit de waarnemingspost te land worden ontstoken. De eerste drie groepen onderscheidt men als stoot-, contact- of wakende mijnen van de waamemings- of slapende mijnen. De mechanische en mechanisch-electrische mijnen kunnen onafhankelijk van elkander en op willekeurige afstanden van het land gebruikt worden. Zij zijn eenvoudiger en goedkooper dan de andere. Voor oogenblikkelijk gebruik kunnen voorraden worden opgeslagen, terwijl zij ook door niet opzettelijk geschoold personeel kunnen worden gelegd. Eenmaal gelegd, is verder toezicht overbodig. Zij zijn echter voor de eigen schepen gevaarlijk, ook omdat zij gemakkelijk van haar lichte verankering losslaan. Ook kan de vijand, door er enkele kleine vaartuigen aan op te offeren, gemakkelijk een bres in de versperring maken. Bovendien is het leggen en weder ophalen uitermate gevaarlijk. Bij de mijnen der beide andere groepen is het springen geheel van den wil van den verdediger afhankelijk. Eigen schepen en ook zwakkere schepen van den vijand kunnen worden ontzien, om later komende sterkere te vernietigen. Het leggen is zonder gevaar en haar ontbrandingsvermogen kan steeds onderzocht worden. De verankering is zwaarder en met behulp van den kabel kunnen zij steeds gemakkelijk worden teruggevonden. Haar lading is belangrijk grooter, maar ook de kosten zijn veel hooger. Zij kunnen alleen door geoefend personeel worden gelegd, terwijl de waarnemingspost voor den viiand onbereikbaar, zoo moge¬

lijk ook schotvrij moet wezen. Bovendien moet de versperring onder het bereik van strandbatterijen liggen, om te voorkomen, dat de vijand de kabel opvischt. Het grootste nadeel van deze mijnen bestaat in haar afhankelijkheid van de terreinsverlichting, de instrumenten, het personeel en van de juiste ankerplaats. Men gebruikt haar in de gevallen, waarin groote getijdenverschillen en eigen scheepvaart de toepassing van contactmijnen buitensluiten. Met het oog op dit laatste vindt ook een versperring met contactmijnen, waarin een doorgang is gelaten, die met waarnemingsmijnen is versperd, toepassing. In dit verband verdient het vermelding, dat de Zweedsche ingenieur Angerell een beweegbare zeemijn heeft uitgevonden. Men kan haar op den zeebodem doen zinken, of haar tot ongeveer 3 m. onder den waterspiegel brengen. Het mechanisme, dat het ankertouw opwindt, wordt door een electromotor van l1/» P. K. gedreven.

Omtrent de verweermiddelen tegen zeemijnen heeft men nog weinig ervaring. Men gebruikt contramijnen, zeemijnen met een lading van 250 kg. schietkatoen, welke door platte schepen in de nabijheid van de versperring gebracht en electrisch ontstoken worden. Bij electrische mijnen tracht men met sleepankers en dreggen de geleidingsdraden op te visschen, om deze daarna door te snijden. In den Russisch-Japanschen Oorlog werden de mijnen zelfs opgevischt met behulp van een staaldraadkabel, die twee torpedobooten over het mijnveld slepen.

Ook bij de jacht op schepen hebben drijvende mijnen toepassing gevonden. Een achtervolgd schip kan, door een behendige wending, een mijn (sïeej)mijn), welke het in zijn kielzog meesleept, voor den boeg van den vervolger brengen of strooimijnen, een bijzonder soort stootmijnen, in zijn vaarwater brengen.

Het gebruik van drijvende mijnen is reeds bijna

Sluiten