Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ne op een ijsschol in zee drijven. Het wijfje werpt op het land een jong, dat het zeer zorgvuldig beschermt. Het dier wordt om zijn kostbaren pels ijverig vervolgd, ook het vleesch wordt gegeten. In den laatsten tijd heeft men bijv. in Rusland middelen toegepast om deze dieren te beschermen.

Zeep is een alkalizout van de hoogere vetzuren of een mengsel van deze. Zij ontstaat bij de inwerking van kalium- of natriurnliydroxiedoplossingen op vetten. Dit zijn glyceriden van stearine-, palmitine- en oliezuur (stearine, palmitine en oleïne), die door kalium- of natriumhydroxied ontleed (verzeept) worden, doordat zich stearine-, palmitine- en oliezuur alkali vormen en glycerine wordt afgesplitst. Dit mengsel van de genoemde alkalizouten vormt, zooals gezegd, de zeep. Voor de zeepbereiding maakt men gebruik van talk, palm-, palmpitten-, kokos-, sesam-, grondnoten-, katoenpitten-, lijn- en hennepolie; verder ook van traan en, ofschoon zeldzamer, van raapolie, paardenvet enz. Ook wordt oliezuur, het afval der stearinefabrieken, tot zeep verwerkt. De alkaliën worden in den vorm van oplossingen, loogen geheeten, gebruikt. Vroeger werden zij door den zeepzieder zelf bereid uit hout- of potasch of uit soda door middel van bijtende kalk, die aan de koolzure zouten het koolzuur onttrekt, waardoor bijtende kali, resp. natron gevormd wordt. Veelal echter bezigen de zeepzieders thans natriumhydroxied uit de sodafabrieken. Daar men met 40 deelen natriumhydroxied evenveel kan doen als met 56 deelen kaliumhydroxied en daar bovendien de natriumverbindingen veel goedkooper zijn dan de kaliumverbindingen worden deze laatste nagenoeg uitsluitend voor de bereiding van kalizeepen gebruikt, terwijl men vroeger, toen potasch goedkooper was dan soda, alleen kalizeepen bereidde en daaruit de natronzeepen door uitzouten, d. i. men voegde aan de kokende massa een overmaat van keukenzout toe, waardoor het vetzure natron zich in gesmolten toestand op de pekel afscheidde. De concentratie van de loogen richt zich naar den aard van het procédé enjnaar dien van het materiaal. Kalk heeft bijv. zwakke, kokosolie sterke loogen noodig. De geheele hoeveelheid alkali, welke voor de verzeeping vereischt wordt, hangt af van de samenstelling der vetten. Bij de bereiding van goedkoope zeepen worden ook groote hoeveelheden waterglas gebruikt. In N. Amerika bezigt men voor de verzeeping ook natriumaluminaat, dat uit kryoliet verkregen wordt.

De verzeeping der vetten heeft plaats in groote, gietijzeren ketels, die door vuur of stoom verhit worden en veelal met een houten kap voorzien zijn, om het overkoken der schuimende massa te verhinderen. Zij heeft niet terstond bij het samentreffen van de vetten en de bijtende kali plaats. Eerst vormt zich een mulsie van de vetten met de loog; daarna ontstaan zure vetzure zouten, welke nog onverzeept vet gesuspendeerd bevatten, en ten slotte wordt ook dit laatste verzeept, waarbij de zure zouten in normale overgaan en glycerine wordt afgesplitst, welke in het water oplossen. Wordt nu deze oplossing ingedampt, dan gaat zij in een heldere, lijmachtige vloeistof, de zeeplijm, over. Laat men deze lijm afkoelen, dan wordt hij hard, wanneer natron- en blijft zij daarentegen zacht, wanneer kaliloog is gebruikt. De aldus bereide zeep heet lijm-

zeep; die welke met kaliloog bereid is in het bijzonder zachte of groene zeep. Het is een geelachtig bruine, doorschijnende, zachte massa, welke met een weinig indigo groen gekleurd wordt. Goede kalilijmzeepen kunnen alleen uit bepaalde vetten, waaronder drogende oliën, met name lijnolie, de overhand moeten hebben, bereid worden. Evenzoo worden natronlijmzeepen het best bereid uit vetten, waaronder zich kokos- en katoenpittenolie bevinden.

Een tweede handelssoort is de kernzeep. Zij wordt verkregen door de zeeplijm niet eenvoudig te laten afkoelen, maar er vooraf 10—12% keukenzout aan toe te voegen. De zeeplijm stolt daardoor tot witachtige vlokken, waartusschen de heldere zoutoplossing staat. Bij het verder zieden (klaarzieden) bereikt de zeep ten slotte de hoedanigheid, welke het mogelijk maakt haar in vormen te scheppen, waarin zij vast wordt. De vloeistof, waarop zij drijft, heet ondertoog; zij is een oplossing van keukenzout, waarin als belangrijkste bestanddeel glycerine voorkomt, dat er uit gewonnen kan worden.

Kernzeepen zijn kristallijn of amorf (glad). In het eerste geval vormen zich in de korrelige hoofdmassa dikwijls amorfe aderen, welke door haar kleur het marmen van de zeep te weeg brengen. De gladde kernzeepen worden als afgezette en geslepen zeepen bereid. De laatste verkrijgt men door na liet klaarzieden aan de zeeplaag een zwakke loog of water toe te voegen; afgezette zeep door de geslepen zeep langen tijd te laten staan en dan voorzichtig af te scheppen. Bekende kernzeepen zijn Marseillaansche zeep, bereid uit katoenpitten- en aardnotenolie met natronloog, en ivaschzeep, waarvoor talk, kokos- en palmolie als grondstoffen dienen.

Toiletzeepen zijn zeepen van zeer verschillenden aard, welke geparfumeerd en dikwijls ook gekleurd worden en voor het gebruik met de hand zijn gereed gemaakt. Het parfum wordt aan de in spanen gesneden zeep koud toegevoegd of er warm ingegoten. Door het toevoegen van glycerine, puimsteen enz. worden de naar deze bestanddeelen genoemde zeepen verkregen. Medicinale zeepen bestaan uit zeer zuiver materiaal, waaraan geneeskrachtig werkende stoffen zijn toegevoegd. Harszeepen worden uit kokosolie, palmolie en talk met 30—100% hars bereid. De hars vormt met de loogen zure alkaliën, welke de zeep zachter en meer schuimend maken. Zij zijn echter geen zeep.

Het vullen van de zeep bestaat in het toevoegen van stoffen als: keukenzout, soda, potasch, waterglas, meel enz. aan de lijm of aan de bereide zeep. Daar deze stoffen bij het wasschen óf in het geheel geen of slechts een matige rol spelen, moeten zij in het algemeen als vervalschingen worden aangemerkt, ofschoon haar gebruik bij sommige zeepsoorten toelaatbaar schijnt.

Gewone zeep lost op in alkohol en in weinig water. Lost men haar op in veel water, dan treedt, zooals Chevreul aantoonde, hydrolitische splitsing op, waarbij alkali vrij wordt en het gevormde zuur zich met een tweede molecule van het vetzure zout vereenigt tot een onoplosbare stof, welke met water schuim geeft. De reinigende werking van de zeep berust nu hierop, dat, juist zooals wij bij de verklaring van de zeepbereiding zagen, het alkali emulgeerend en verzeepend werkt op de verontreinigingen van huid, kleedingstukken enz., daar deze ver-

Sluiten