Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven, benevens 165 zakken drukwerk. Op poststoomschepen zonder zeepost worden de postzakken in postkamers opgeborgen en aldus vervoerd. Z Geraket. Zie Cakile.

Zeerecht is dat gedeelte van het Handelsrecht, hetwelk zich bezig houdt met de rechten en verplichtingen die uit de zeevaart en den zeehandel voortspruiten. Waar de zeehandel reeds vroeg tusschen verschillende natiën handelsbetrekkingen in het leven riep, ontstond hier eerder dan op menig ander gebied de behoefte om de rechtsregelen die moesten worden in acht genomen, te formuleeren. De oudste regeling van een onderwerp van zeerecht wordt toegeschreven aan de Rhodiërs, bij wie krachtens gewoonterecht voorschriften bestonden over het geval, dat een deel der lading over boord werd geworpen om het schip en de overige lading te redden (zie averij). Een andere instelling die reeds bij de Romeinen bekend was, was de geldleening op onderpand van een schip die wij bodenmij noemen (zie aldaar). In de Middeleeuwen ontwikkelde zich het zeerecht in de steden aan de Middellandsche, Noorden Oostzee, waar de zeehandel bloeide. Eenige bekende bronnen zijn uit dien tijd overgebleven, bijv. het Consulaat der zee, een rechtsboek, waarschijnlijk omstreeks 1370 te Barcelona uit oudere bronnen samengesteld; verder de Tiole.s (tOléron, een verzameling van beslissingen in zeezaken, waarschijnlijk reeds in de 12de eeuw aan de Westkust van Frankrijk in gebruik. Een Vlaamsche bewerking daarvan is bekend onder den naam van de Vonnissen van Damme of de zeerechten van Westkapelle. Een andere oude regeling was de Amsterdamsche Ordonnantie, een verzameling van ongeveer 30 bepalingen van zeerecht, waarschijnlijk reeds vóór 1400 in NoordNederlandsche zeehavens in gebruik gekomen. Deze Amsterdamsche Ordonnantie vereenigd met de 24 vonnissen van Damme en een aantal bepalingen van Lübecksch recht, is in 1505 te Kopenhagen uitgegeven onder den naam Gotlandsch waterrecht, gemaakt te Wisbuy, ook bekend onder den naam van Wisbuysche Zeerechten. Ook in de 16d<\ 17ae en 18de eeuw zijn hier te lande verschillende regelingen van zeerecht tot stand gekomen, bijv. Ordonnanties op het faict van der Zeevaerdt van 1549, 1551 en 15G3 en keuren van Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht; bekend is de RotterdamscheOrdonnantie op het stuk van asseurantie ende van avarijen, mitsgaders van zeezaken van 1721. Beroemde bronnen in Frankrijk uit die eeuwen zijn de Guidon de la nier, een rechtsboek tegen het eind der 16ae eeuw samengesteld, en de Ordonnance de la Marine van 1681. De laatste heeft grooten invloed uitgeoefend bij de samenstelling van den Fransche Code de Commerce van 1807, die ook hier te lande bij de inlijving is ingevoerd en in 1838 door het Wetboek van Koophandel is vervangen. Dit Wetboek regelt het Zeerecht zeer uitvoerig in het Tweede Boek; de regeling is in het algemeen vollediger dan in den Code de Commerce en een groot aantal bepalingen zijn niet ontleend aan den Code, maar aan het Oud-Hollandsch recht. \ erschillende onderwerpen van zeerecht zijn behandeld in de artikelen averij, bergloon, bevrachting, bodemerij, chertepartij, cognossement, hulploon, schipper, strandrecht, strandvonderij, zeeverzekering.

Zeeroos is de naam van een plantengeslacht. Zie Nymphaea. Voor Gele Zeeroos, zie Nuphar; voor Indische Zeeroos, zie Nelumbium.

Zeerooverlj onderscheidt zich van de kaapvaart (zie aldaar), doordat zij door zeeroovers (vrijbuiters), onder willekeurige vlag en op eigen gezag tegen iedereen wordt gepleegd met het uitsluitend doel om zich te verrijken. Zij is meestal het gevolg van binnenlandsche wanorde en ontstaat in den regel daar, waar eilanden, boezems en baaien aan de zeeroovers gelegenheid geven om zich te verschuilen. In de Oudheid werd de zeerooverij als een voordeelig en roemrijk beroep veelvuldig uitgeoefend, later had men van de 8s,e tot de llde eeuw de Noordsche Vikings; Noord-Afrikaansche en Grieksche zeeroovers waren tot in de vorige eeuw berucht, evenals de Flibustiers en Boekaniers op de WestIndische Eilanden. Tengevolge van de vrijheidsoorlogen van de Spaansche koloniën in Amerika werden de Zuid-Amerikaansche en West-Indische wateren gedurende langen tijd onveilig gemaakt. De Indische handel had dikwijls veel te lijden van Perzische en Indische zeeroovers. Tegenwoordig wordt de zeerooverij nog uitgeoefend door Maleische vrijbuiters in den Oost-Indischen archipel en door sommige Negerstammen aan de West-Afrikaansche kust, terwijl ook in China de zeeroof nog niet geheel is onderdrukt. Het volkerenrecht verleent aan elken staat de bevoegdheid in open zee gevangen zeeroovers te straffen.

Zeerozen is een andere naam voor zeeanemonen. Zie aldaar.

Zeerupsen. Zie Ringwormen.

Zeescheeden (Ascidia of zakpijpen) zijn dieren, welke tot de klasse der Mantelzakdieren (Tunicata) onder den stam der Wormen behooren. Hun lichaam heeft tot uitwendig omkleedsel een zak of mantel, die het lichaam geheel omgeeft en de kieuwholte omsluit. De mantel is alleen op twee nabij elkaar gelegen openingen (mond en anus) met het lichaam verbonden. Men vindt deze dieren in alle zeeën, en sommige worden gegeten. Tot de enkelvoudige zeescheeden behooren de geslachten: Bolthenia, Cynthia, Clavalina en Phallasia, — en tot de samengestelde, die vele kleine dieren in een gemeenschappelijk omhulsel bevatten, de geslachten: Botryllus en Diazona.

Zeescheepvaart. Zie Scheepvaart.

Zeeschip. Zie Schip.

Zeesel of Zisel (Spermophilus) is de naam van een geslacht van marmotachtige knaagdieren uit de familie van de eekhoorns. Hiertoe behooren kleine dieren met een slank lichaam, een gestrekten kop, groote wangzakken, ooren, die in den pels weggedoken zijn, een dicht behaarden staart. 4 teenen en een korte wat in plaats van den duim aan de voorpooten en 5 teenen aan de achterpooten. \ an de 26 soorten, die allen op het noordelijk halfrond leven, is de gewone zeesel (spermophiluscitillus)het meest bekend. Zij komt vooral in Oost-Europa voor, bereikt een lengte van 24 cm., waarbij een staart van 7 cm. komt, en wordt ongeveer 9 cm. hoog. Het dier heeft een losse, uit tamelijk stijve haren bestaande vacht, die aan de bovenzijde geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne vlekjes, aan de onderzijde roestgeel, aan de kin en het voorste deel van den hals wit. De zeesels leven gezellig op droge akkers en grasvlakten zonder boomen, waar zij een hol van 1—1,5 m. diepte met één gang en een kamer van 30 cm. middellijn graven. Zij verzamelen een wintervoorraad en houden

Sluiten