Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee kuststroomen, uit tegengestelde richting komende, elkander ontmoeten, vereenigen zij zich tot één van de kust afgewende strooming. Door de aswenteling der aarde wijken de zeestroomen (evenals de winden) op het N. halfrond naar rechts, op het Z. halfrond naar links af, zoodra de rechtstreeksche oorzaak van haar ontstaan op den achtergrond treedt. Op hoogere breedte doet de aswenteling zich krachtiger gelden, en stroomen, die het land aan de rechterzijde hebben liggen (op hetN. halfrond), naderen dicht tot de kust, terwijl zulke, die het land aan de linkerzijde hebben, meer en meer van de kust afwijken.

De snelheid der stroomen in den open oceaan, bedraagt slechts zelden, en wel alleen in enkele nauw begrensde gebieden, meer dan 80 zeemijlen per etmaal (1,7 m. per seconde); in zeestraten, vooral als de getijden of groote rivieren meewerken, stijgt zij wel is waar 145—190 zeemijlen per etmaal (3—4 m. per sec.). De groote aequatoriale stroomen hebben een gemiddelde snelheid van 12—24 zeemijlen per etmaal. Rechtstreeks valt van de stroomen meestal slechts weinig te bespeuren, indirect blijkt hun aanwezigheid door drijfhout, bijv. dat, hetwelk uit West-Indië en van de Mississippi naar IJsland wordt gevoerd (vaten met palmolie van een schip, dat in de Golf van Guinea te gronde ging, werden aan de kust van Noorwegen opgevischt) en uit de zoogenaamde flesschenreizen (zie Flesschenpost). Ook de temperatuur, het zoutgehalte en de kleur verschillen van het naburige zeewater en bekend is hoe Franklin op zijn reis van Amerika naar Europa voor t eerst met behulp van den thermometer den loop van den Golfstroom nader onderzocht. Tot het onderzoek van de benedenstroomen heeft men bepaalde toestellen uitgedacht.

Het best bekend zijn de zeestroomingen in den Atlantischen Oceaan. Hier gaan (zie de kaart) tusschen 20° N. Br. en 10° Z. Br. een N. en een Z. Aequatoriale stroom van de Afrikaansclie kust westwaarts, gescheiden door een W. O. gerichten Compensatiestroom, den Guineastroom. Bij Kaap San Roque splitst zich de Z. Aequatoriale stroom en gaat een deel als Braziliaansche stroom Z. waarts langs de kust van Z. Amerika tot 48° Z. Br., komt hier onder den invloed der heerschende W. winden en buigt naar het O. om, wordt versterkt door een arm van den grooten O. lijken Antarctischen stroom of de 11 estenwinddrift en keert als Benguelastroom in N lijke richting langs de W. kust van Afrika naar zijn oorsprong temg. De hoofdtak van den Z. Aequatorialen stroom gaat langs de N. kust van Z. Amerika en vereenigt zich met den N. Aequatorialen stroom; samen gaan ze deels door de Caribische Zee en de Golf van Mexico, deels langs de buitenzijde der W. Indische eilanden als Antillenstroom. In straat Florida bereikt de eerstgenoemde 55 km. . breedte, 800 m. diepte en gemiddeld 134 km. (maximum 220 km.) snelheid per etmaal. Deze Flo- i ridastroom eindigt tusschen 40 en 45° N. Br., is i zeer zout, donkerblauw van kleur en zeer warm. i Voorbij kaap Hatteras verlaat hij de kust, wordt : steeds ondieper, trager en koeler en lost zich ten < slotte in een aantal strooken op. Uit den Florida- i en den Antillenstroom ontwikkelt zich een ooste- ; lijke strooming, die ten W. van Portugal Z. waarts ' ombuigt en als Canarische of N. Ajrikaansche \ stroom naar den N. Aequatorialen stroom terug- i

- keert. Op deze wijze ontstaat in den N. Atlantit schen Oceaan een gesloten kringloop, waarbinnen

- het 'water vrij rustig is en zich een sargasso> zee'(zie iSargassum) bevindt; iets dergelijks treft ; men in den Z. Atlantischen den Z. Indischen en den ! N. en Z. Grooten Oceaan aan.

I De Floridastroom is een Compensatiestroom. ; Waar deze eindigt, ontstaat onder den invloed der i heerschende Z. W. winden een nieuwe beweging van het water, n.1. de Golfstroom. Deze steekt van NewFoundland dwars over den N. Atlantischen Oceaan, bereikt in den zomer met één tak de Baffinsbaai, terwijl een tweede tak langs IJslands N. kust gaat, een derde tak tot Nova Zembla komt; in den winter reikt hij niet zoover noordwaarts, bespoelt eohter ook dan de kusten van IJsland en Noorwegen.

Op drie plaatsen komt de Golfstroom met koude compensatie stroomen uit de Poolzee in aanraking: met den Labrador stroom, den Oost-Groenland- en den Oost-I Jslandstroom.

In den Grooten Oceaan hebben wij een soortgelijken toestand als in den Atlantischen, n. 1. ook hier twee aequatoriale stroomen, gescheiden door een tegenstroom. Uit den N. Aequatorialen komt de Koero Sjio (Zwarte stroom, wegens zijn donkerblauw gekleurd water) stroom voort, die O. waarts ombuigt en als Calijornische stroom naar den evenaar terugkeert. Een golfstroom kan hier niet tot ontwikkeling komen wegens de geringe breedte van de Beringstraat; de compensatie stroomen komen hier ook niet uit de Poolzee, maar uit de randzeeën v&h O. Azië, zooals de Sachalin-, de Amoer liman- en de Koerillenstroom. Uit den Z. Aequatorialen stroom komt de Oost-Australische stroom voort, die naar het O. ombuigt, weer versterkt wordt met water van de Westenwinddrift en als Perustroom langs de W. kust van Z. Amerika naar zijn oorsprong terugkeert. Een andere koude stroom gaat langs de O. kust van Z. Amerika als Falklandstroom N. waarts.

In den N. Indischen Oceaan waait geen bestendige passaatwind, maar heerschen de met het halfjaar afwisselende moesons, vandaar dat hier de zeestroomen eveneens met het halfjaar in richting afwisselen. Daarentegen zijn de tegenstroom en de Z. Aequatoriale stroom in het passaatgebied van den Z. Indischen Oceaan wel ontwikkeld. De laatstgenoemde strooming gaat langs de O. kust van Afrika Z. waarts, splitst zich in den Mozambiqueof Madagaskar- en den Mascarenstroom, wordt door den Agulhastroom van de kust gedrongen, neemt een O. lijke richting aan en gaat als West-Australische stroom noordwaarts.

Nog zeer weinig is van de beweging van het water in het Antarctisch gebied bekend. Zeer waarschijnlijk beweegt zich hier een groote watermassa langzaam noordwaarts, waarbij zij gelijktijdig uit de diepte omhoog stijgt.

Zeetaktiek is de leer van het gebruik der strijdkrachten ter zee tot vernietiging van die van den tegenstander. Zij omvat dus de regels omtrent de opstelling van vloten en eskaders en is in hoofdzaak afhankelijk van de bewapening en de voortbewegingssnelheid der schepen. Men tracht thans het geschut van elk schip zoodanig op te stellen, dat zooveel mogelijk gelijktijdig in alle richtingen gevuurd kan worden. Bij de oude schepen daarentegen was de richting, waarin de artillerie kon optreden, alleen naar de zijden van het schip gericht. Ook

Sluiten