Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEILA—ZEILROUTES.

parelen. Het aantal inwoners, dat (1900) 3 750 bedraagt, neemt in den tijd van de missen toe tot 6 000 (volgens sommigen tot 15 000). Zij bestaan meest uit Somali, Danakil en Arabieren. Zeila wordt reeds in de 6de eeuw vermeld. Nadat het door de Portugeezen was verwoest, kwam het in de macht van de Arabieren, tot in 1875 de Egyptische regeering de stad bezette, de haven verbeterde en de omliggende landschappen veroverde. In 1883 werd zij, nadat de Egyptenaren de stad hadden opgegeven, door de Engelschen bezet.

Zeildoek. Zie Linnen.

Zeilen noemt men van zwaar zeildoek vervaardigde lappen, die door touwen aan de masten en de takelage van een schip worden verbonden en voor de voortbeweging door den wind dienen. Men onderscheidt de zeilén in de eerste plaats naar den vorm: de razeilen en de sprietzeilen zijn vierhoekig; de eerste zijn aan een horizontalen boom bevestigd, die met behulp van brassen (zie Bras) naar de richting van den wind wordt gedraaid, de laatste die bijna alleen op kleine rivierbooten worden gebruikt, worden door een schuin staanden stok (spriet) in den wind gehouden; gaffelzeilen zijn beneden breeder dan boven, zij worden aan een sterken, aan den mast bevestigden stok (gaffel) gebonden en van onderen door een schoot gespannen; topzeilen noemt men driehoekige zeilen boven de gaffelzeilen; de driehoekige stagzeilen worden aan de staggen van een groot schip zóó bevestigd, dat de benedenste vrije hoek door een touw in verband met de windrichting op een bepaalde wijze wordt vastgehouden. Buitendien onderscheidt men ze naar de masten en stengen, waaraan zij zijn bevestigd, in kruiszeilen, grootzeilen, voorzeilen, benedenzeilen, marszeilen, bramzeilen enz. Aan de randen is een zeil van een ingenaaid touw (lijk) voorzien, waaraan zich touwen bevinden voor de bevestiging. Bij vierhoekige zeilen heet de bovenrand "bovenlijk (bij het razeil ralijk), de zijranden zijlijken, buitenlijken of staande lijken, de benedenrand onderlijk, den benedenkant van het razeil noemt men gilling, de beide benedenhoeken schoothorens, de bovenhoeken nokken. Bij driehoekige zeilen heet de voorhoek hals, de achterhoek schoothoren, de voorrand heet voorlijk, de achterrand achterlijk. Het optrekken van de zeilen heet hijschen, ze zoo plaatsen, dat de wind er op kan inwerken, heet bijzetten, het bergen of vastmaken geschiedt om ze geheel aan de inwerking van den wind te onttrekken, het reven (zie Beef) om deze geringer te maken. Een bijzondere wijze van zeilen is het laveeren (zie aldaar).

Zeiler. Martin, een Duitsch schrijver, geboren in 1589 in het dorp Ranthen in Opperstiermarken, vertrok met zijn vader wegens kettervervolging naar Ulm, studeerde te Wittenberg in de rechten en in de geschiedenis, volbracht onderscheidene reizen in vreemde landen, werd in 1632 curator van het gymnasium te Ulm en overleed aldaar in 1661. Hij leverde onderscheiden plaats- en reisbeschrijvingen, samenspraken, brieven en geschiedkundige werken, die met voortreffelijke koperen platen van Merian werden versierd, zooals: „Topographische Beschreibung des Herzogthums Braunschweig und Lüneburg", „Centuria dialogorum, oder ein hundert Gesprache von allerhand Materien"(1653), „Collectanea oder nachdenkliche Reden, verwunderliche und seltsame Geschichten"(1658) en „Miscellanea, oder

allerhand zusammengetragene poetische, historische und andere denkwürdige Sachen."

Zeiller, Franz Aloys, edele von, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren in 1751 te Graz, studeerde aldaar en te Weenen, werd in 1782 gewoon hoogleeraar in de rechten in laatstgenoemde stad, in 1790 regeeringsraad, in 1794 referendaris bij de Neder-Oostenrijksche rechtbank van appèl, in 1795 raadsheer in deze rechtbank en onderwijzer van den broeder des keizers in de rechtsgeleerdheid en in de staatkundige wetenschappen, in 1797 assessor der Hofcommissie, in 1802 Hofraad, in 1803 vice-directeur der rechtsgeleerde faculteit aan de universiteit te Weenen, in datzelfde jaar directeur en voorzitter en in 1804 en 1808 ook rector. In 1813 werd hij benoemd tot gouverneur van Stiermarken en ontving in 1816 pensioen. Hij overleed in 1828 te Hitsung bijWeenen. Hij schreef: „Praelectiones academicae in Heinecii elementa juris civilis secundum ordinem institutionum"(1781), „Das natürliche Privatrecht"(1802; 2de druk, 1815), „Jahrliche Beitrage der Gesetzgebung und Rechtswissenschaft"(4 dln., 1806—1809) en „Kommentar über das allgemeine Bürgerliche Gesetzbuch"(6 dln., 1811—1813).

Zeilroutes zijn de groote, dwars over den oceaan voerende vaste wegen, welke door de zeilschepen gevolgd worden. De transöceanische zeilscheepvaart geschiedt thans in het algemeen nog slechts door groote zeilschepen met voordeel; aan betrekkelijk weinig toenemende onkosten, paren zij een belangrijk grooter laadvermogen dan de kleine zeilschepen van vroeger dagen. Terwijl verder tot omstreeks 1890 op bijna alle verkeerswegen zeilschepen aangetroffen werden en wel in nagenoeg gelijke verhoudingen, is in de laatste kwart eeuw daarin een verandering ten nadeele van de zeilscheepvaart gekomen. Alleen op enkele, zeer bepaalde verkeerswegen kunnen thans nog zeilschepen in de vrachtvaart met stoomschepen met succes concurreeren. Hoofdzakelijk geldt dit van het vervoer van massa-produkten, zooals bijv. chilisalpeter, steenkool, rijst, ijs, cement enz. Bij dezen concurrentiestrijd profiteert de zeilscheepvaart in hooge mate van onze vermeerderde kennis omtrent wind, weer en stroomingen, waardoor de reizen niet alleen met minder gevaar gepaard gaan dan vroeger, maar bovendien ook veel sneller kunnen worden volbracht.

De tegenwoordige zeilroutes kunnen in twee groe- . pen gerangschikt worden: die naar N. en Z. Amerika, waarbij valt op te merken, dat de zeilscheepvaart naar de havens aan den Grooten Oceaan thans veel belangrijker is dan die naar de Amerikaansche havens aan den Atlantischen Oceaan, en in de tweede plaats die naar Achter-Indië, O.-Azië en Australië. Zeilroutes naar Afrika hebben bijna geen beteekenis meer. De drukst bevaren route is die om Kaap Hoorn naar en van de Chileensche salpeterhavens, vooral Iquique. Den duur rekent men gewoonlijk van af Kaap Lizard aan den W.lijken toegang tot het Kanaal. De uitreis heeft langs een andere route plaats dan de thuisreis. Dit hangt in hoofdzaak samen met de windrichtingen. Een zeilschip kan n.1. in alle richtingen varen, met uitzondering van die, welke naar rechts of links een hoek van omstreeks 65° met de windrichting maakt. De uitreizen naar Australië hebben steeds plaats door den Indischen Oceaan; de thuisreizen echter door den Grooten Oceaan en om Kaap Hoorn, omdat het onverstandig zou wezen om

Sluiten