Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tengevolge van langzame oxydatie- of ontledingsprocessen van zelf ontbranden.

Zelfreiniging; of Natuurlijke reiniging. Zie Reiniging, Biologische.

Zelfstandigheid is hetzelfde als substantie. Zie aldaar.

Zelfstandig- naamwoord. Zie Substantivum.

Zelfverdediging- Zie Noodweer.

Zelfverminking-, Zie Verminking.

Zelfverminking- bij dieren (Autotomie) noemt men het verschijnsel, ten onrechte als een uiting van den wil opgevat, dat verschillende lagere en zelfs ook sommige gewervelde dieren ledematen of gedeelten van hun lichaam, welke zijn ingeklemd, prijsgeven, om aldus hun vrijheid te herkrijgen. Het dier offert een gedeelte van zijn lichaam op om zijn leven te redden. Zeer sterk is dit vermogen ontwikkeld bij verschillende wormen en zeeslakken, bij zeesterren, welke haar armen loslaten, bij de holtedieren, die hun ingewand als het ware een aanvaller toewerpen, bij kreeften, spinnen, krekels, mieren en andere insecten, welke de pooten afwerpen en bij hagedissen, die, ruw aangepakt, de punt van haar staart in de hand van den aangrijper laten. Deze wijze van zelfverminking komt echter slechts bij dieren voor, waarbij de prijsgegeven lichaamsdeelen weder aangroeien (zie Regeneratie). Reeds Reaumur nam waar, dat kreeften hun pooten steeds op een bepaalde, dicht bij het lichaam gelegen plaats afbreken. Vooral bij krabben is deze eigenschap zeer sterk ontwikkeld. Al deze dieren zijn niet in staat hun ledematen vrijwillig af te werpen. Bevestigt men een hagedis met haar staart zoodanig in een lus, dat deze niet bovenmate knelt, dan slaagt men er niet in, door welke middelen ook, de hagedis tot het afbreken van den staart te bewegen. Zoodra echter een sterke prikkel door beschadiging, hitte enz. op den staart wordt uitgeoefend, treedt een reflectorisch opgewekte spierkramp op, tengevolge waarvan de staart op de daarvoor ingerichte plaats, zonder merkbare nabloeding, afbreekt. Dat het bewustzijn daarbij geen rol speelt, blijkt het best hieruit, dat een onthoofde hagedis den staart nog gemakkelijker loslaat. Beschadiging van het ruggemerg of van de segmentgangliën bij de gelede dieren daarentegen heft de mogelijkheid van zelfverminking terstond op. Wel is waar zijn ook gevallen bekend van vossen, die met één poot in een klem geraakt, dezen afbeten om daardoor de vrijheid te herkrijgen.

Zelfwording- (Archigoniu, Abiogenesis, Archiogenesis, Generatio aequivoca s. spontanea) noemt men het ontstaan van levende wezens, onafhankelijk van reeds bestaande gelijksoortige wezens. Men heeft omtrent deze wijze van ontstaan in hoofdzaak drie hypothesen: 1. organismen kunnen onmiddellijk ontstaan uit anorganische stoffen (autogonie); 2. zij kunnen omgevormd worden uit reeds aanwezige organische zelfstandigheden (plasmogonie)-, 3. doode lichamen kunnen in levende elementaire organismen uiteenvallen (nekrobiose). In de Oudheid geloofde men algemeen, dat alle dieren, zelfs gewervelde dieren, door zelfwording konden ontstaan, zoo bijv. muizen en kikvorschen uit Nijlslib. Door de toenemende kennis der natuur werd het geloof daaraan meer en meer tot de lagere diersoorten beperkt, maar nog in de 17ae eeuw meende men, dat bijv. insekten uit tot ontbinding overgaand vleesch

konden ontstaan. Door verschillende proeven van Redi (1674) werd deze meening afdoende weerlegd. Later hield men nog vast aan de zelfwording van de ondertusschen ontdekte afgietseldiertjes en van de ingewandswormen, totdat door nieuwere onderzoekingen ook deze veronderstelling een dwaling bleek te zijn. Voor zoo ver men tot nu toe het ontstaan van een organisme werkelijk tot aan zijn oorsprong heeft kunnen vervolgen, heeft men steeds waargenomen, dat het aan een reeds aanwezige kiem zijn oorsprong heeft te danken. Daarmede is wel is waar niet bewezen, dat de zelfwording onmogelijk is, al wordt zij door de meeste natuurhistorici in twijfel getrokken. Sommigen daarentegen nemen aan, dat in vroegere tijden, onder den invloed van een toen heerschende hooge temperatuur en andere scheikundige verhoudingen, deze wijze van ontstaan niet onmogelijk is geweest, anderen houden het voor waarschijnlijk, dat de allerlaagste, door zelfwording ontstane organismen zoo klein zijn, dat zij voor het mikroskopisch onderzoek onzichtbaar blijven, en dat de ons bekende levende wezens eerst door een langdurige afstamming met hen in verband staan.

Zelfzucht of Egoïsme noemt men een karaktertrek, die daarin bestaat, dat degene, die deze eigenschap bezit, zich bij al zijn handelingen alleen laat leiden door zijn eigen belang. Het tegengestelde van egoïsme is altruïsme (zie aldaar). Van kinderen en onbeschaafde volken is het egoïsme een kenmerkende karaktertrek; eerst bij het toenemen van de zedelijke ontwikkeling wordt deze eigenschap meer en meer beperkt, het streven naar de bevordering van eigen geluk kan echter door niemand geheel worden verloochend. Het is moeilijk uit te maken, of onbaatzuchtige handelingen een onmiddellijk gevolg zijn van het gehoorzamen aan een zedelijke wet, of dat zij hun laatsten grond vinden in de bevrediging, die het onbaatzuchtige (zedelijk) handelen verschaft. Egoïsme is iets anders dan eigenliefde of zelfliefde, de natuurlijke drang, die genot doet zoeken en smart vermijden.

Zelhem. een gemeente in de provincie Gelderland, 7818 H. A. groot met (1910; 4 261 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Hengeloo, Ruurloo, Lichtenvoorde, Wisch, Ambt-Doetinchem, Hummeloo c. a. en Steenderen. De bodem bestaat grootendeels uit diluviaal zand, in het Z. W. uit klei. De voornaamste bezigheden zijn landbouw, houtteelt en eenige handel. Tot de gemeente behooren de dorpen Zelhem en Halle, benevens een aantal buurten.

Het dorp Zelhem wordt in een oorkonde van 1152 als Selehem vermeld. Het behoorde aanvankelijk tot het graafschap Loon, doch kwam in het midden van de 13'le eeuw aan graaf Otto II van Gelder. Men vindt er een Hervormde kerk en een station van de spoorlijn Doetinchem—Ruurloo.

Zelich. Gerasimus, een Duitscli geestelijke en schilder, geboren in 1762 te Scheger in Dalmatië, werd in een Grieksch klooster te Krupa opgevoed en in 1778 te Karlstadt tot priester gewijd. Kort daarna volbracht hij op last van zijn prior een reis door een gedeelte van Turkije, vanwaar hij op zijn verzoek naar Corfu gezonden werd, om er zich toe te leggen op het schilderen van heiligenbeelden. Toen hij echter te Venetië was aangekomen, veranderde hij van plan en vertrok naar Rusland, waar hij zich

Sluiten