Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling van tarwezemels en van roggezemels is bijv.:

Tarwe- Roggezemels. zemels.

Water 12,7 16,32

Eiwitachtige stoffen 17,93 18,18

Suiker 4,32 1,86

Kleefstof 8,85 10,40

Vet 3,79 4,72

Houtvezels j 30,65 28,53

Zetmeel | 21,76 21,09

De voedingswaarde is tengevolge van het groote gehalte aan houtvezels geringer dan men tengevolge van het groote stikstofgehalte zou verwachten. Daar het ook door zuren en alkaliën niet gelukt, de eiwitachtige stoffen geheel van de houtvezels te scheiden, blijft een gedeelte van de zemels voor den mensch geheel onverteerbaar. Als veevoeder zijn zij daarentegen zeer geschikt. Verder gebruikt men ze in de ververij, de katoendrukkerij en de looierij.

Zemp. Joseph, een Zwitsersch staatsman, geboren den 2den September 1834 te Entlebucli, studeerde te München en te Heidelberg in de rechten en vestigde zich, na gedurende korten tijd te Lausanne gewoond te hebben, als advocaat in zijn geboorteplaats, vanwaar hij in 1875 naar Luzern vertrok. In 1863 werd hij lid van den Grooten Raad van Luzern, in 1871 van den Zwitserschen Stendenraad en in 1873 van den Nationalen Raad. Nadat hij in 1876 als lid daarvan had bedankt, aanvaardde hij in 1881 opnieuw een mandaat en gold als leider van de conservatief ultramontane rechterzijde. Toen Welti in 1891 was afgetreden, volgde hij dezen als eerste vertegenwoordiger van de ultramontane partij (sedert 1848) in den Bondsraad op. Als hoofd van het departement van Posterijen en Spoorwegen, heeft hij het groote werk van zijn voorganger, de invoering der staatsexploitatie van de spoorwegen ten einde gebracht. I)e wet van den 15den October 1897, die het verkrijgen en het exploiteeren van spoorwegen regelt en met groote meerderheid door het referendum werd goed gekeurd, is zijn werk. In 1895 en in 1902 was hij bondspresident. Hij overleed den 8sten December 1908 te Bern.

Zemplin of Zemplen, een Hongaarsch comitaat aan deze zijde van de Theisz, wordt begrensd door Galicië en de comitaten Saros, Abauj-Torna, Borsod, Szabolcs en Ung en telt op 6 269 v. km. (1901) 200 095 inwoners. Het noordelijk gedeelte is door vertakkingen der Karpaten bergachtig, in het midden vindt men het breede dal der Bodrog, terwijl men verderop een moerassige vlakte aantreft, waar zich de Hegyallya of het Tokayer Wijngaardengebergte verheft. In het Z. vormt de Theisz met de Sajo, in het Z.W. de Hernad gedeeltelijk degrens; andere rivieren zijn de Bodrog, de Laborcza, de Ondowa en de Topla. Tot de voornaamste voortbrengselen behooren: graan, vlas, hennep, meloenen en andere vruchten, tabak en voortreffelijke wijn; verder runderen, paarden, schapen, varkens en honig. De Theisz en andere rivieren leveren er een overvloed van visch. De hoofdplaats is SatorallyaUjhely.

Zemstwo. Zie Semstwo.

Zezem. Zie Mekka en Kaiïba.

Zend. Zendtaal, Oud-Bactrisch of Avesla is de naam, dien men vroeger aan de taal van de Zendavesta gaf. Zie Zendavesta.

Zendavesta. de gewijde schrift der Parsen (zie aldaar) is de naam van een verzameling overblijfselen van godsdienstige boeken der oude Iraniërs, waarin de beginselen zijn bevat van de door Zoroaster gestichte secte. Zij is een der oudste en belangrijkste godsdienstige oorkonden der menschheid, maar werd door de Europeesche wetenschap eerst toegankelijk gemaakt door Anquetil-Duperron, die in 1755 naar Oost-Indië trok, om van Parsische priesters een exemplaar van dit boek te krijgen. Dit gelukte hem na een zevenjarig verblijf in Indië. Hij kwam niet alleen in het bezit van den tekst van de Zendavesta, maar ook van een Perzische vertaling daarvan, hem door een priester der Parsen voorgezegd. Hiervan leverde hij in 1771 een Fransche vertaling, die intusschen bij Engelsche geleerden twijfel deed ontstaan omtrent de echtheid en den ouderdom van het oorspronkelijke. Eerst door het geschrift van den Deenschen taalkundige Bask: „Over den ouderdom en de echtheid der Zendtaal" (1826) werd die twijfel voor goed uit den weg geruimd.

Het is gebleken, dat de Zendtaal werkelijk het laatste overblijfsel is van een uitgebreide verzameling van gewijde schriften, welke in het oosten van Iran, waarschijnlijk in Bactrië, reeds vóór de stichting van het Perzische wereldrijk ontstond, zeer vroeg ingang vond bij de Perzen en door dezen bekend werd aan de Grieken, wier mededeelingen omtrent den inhoud dier verzameling volkomen juist blijken te wezen. Volgens een Middel-Perzisch werk uit de 9de eeuw n. Chr. zou Zoroaster, datgene, wat aan hem geopenbaard was, aan zijn eersten leerling medegedeeld hebben. Op bevel van koning Vischtasp zouden deze mededeelingen in een groot werk zijn opgeteekend, dat echter door een vreemden overheerscher (Alexander van Macedonië) was verbrand. Het Middel-Perzisch werk deelt verder mede, dat de deelen, die bewaard zijn gebleven, eerst op bevel van Valkash (Vologeses, koning van de Parthen), vervolgens van koning Ardashir van Perzië (226—240 n. Chr.) en zijn opvolgers Schahpoer 1 (240—271) en Schahpoer 11 (310—379) verzameld en nieuw geredigeerd zijn. Deze verzameling bestond uit 21 boeken (nask), overeenkomende met de 21 woorden van het gebed Ahoenavairya, en bevatte een volledige encyclopaedie van de leer van Zoroaster,waarin, behalve de godsdienst, ook de scheppingsgeschiedenis, de geschiedenis van Zoroaster en van de koningen van Iran, de rechtspraak, de staatkunde, de astronomie, de astrologie enz. werden behandeld. Doordat de oude godsdienst van de Iraniërs echter door het toenemen van den Islam in de Middeleeuwen meer en meer teruggedrongen werd, ging het grootste deel v^i dit werk verloren; slechts een vierde deel bleef ongeveer bewaard en wel in zeer fragmentarisch en en dikwijls verminkten vorm.

De oudste afschriften van de Zendavesta in haar tegenwoordigen vorm zijn afkomstig uit de 13ae eeuw n. Chr. en bevatten reeds zeer veel schrijffouten. Het werk is verdeeld in de volgende gedeelten: 1° de Yasna (lzesjnek of „Boek der offeranden"), gesplitst in 72 kapittels, waarvan de

Sluiten