Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdstukken 28—53 de Gatha's, de oudste en be'angrijkste gedeelten van de Zendavesta bevatten, waarin men in oude taalvormen de redevoeringen van den profeet, bestemd voor zijn leerlingen, vindt; 2° de Vendidad (van vidaeo dalem, — „de wet tegen de daemonen"), een kerkelijke wet in 22 kapittels, die in hoofdzaak de voorschriften en boetedoeningen voor verschillende overtredingen bevat; 3° de verzameling van 24 Yash of aanroepingen aan de voornaamste Iransche goden; zij bevatten naast lange gebedsformulieren, belangrijke overblijfselen van de oudste sagenpoëzie van Iran; 4dt' de Vispered (van vispë ratavö = „alle heeren of geesten"), een kort geschrift in 24 hoofdstukken, dat aanvullingen op het boek Yasma bevat; 5° de Khorda Avesta, een verzameling van gebeden, die als een voor leeken bestemd kort uittreksel uit de Zendavesta beschouwd kan worden.

Tegenwoordig gebruikt men den naam Avesta, die juister is, meer voor deze overblijfselen van de oude taal en letterkunde van Iran, dan den naam Zendavesta. Avesta beteekent n.1. „grondtekst", Zend „uitlegging", Zendavesta is eigenlijk de Middel-Perzische commentaar, die men in de handschriften bij den ouden tekst vindt. Een belangrijke aanvulling van de Zendavesta geeft de Middel-Perzische letterkunde (zie Pehlem). Het werk werd uitgegeven door Westergaard (1852—1854), Spiegel (2 dln., 1853—1858) en Geldner (3 dln., 1886—1895), vertaald o. a. door Spiegel (3 dln., 1852—1863), De Harlez (2de druk, 1881), Darmesteter en Mills (in „Sacred Books of the East, 3 dln., 1880—1887), Darmcs'eter (in „Annales du Musée Guimet", 3 dln., 1892—1893) en Bartholomae (1905).

De grootste waarde van de Zendavesta is daarin gelegen, dat zij mededeelingen bevat omtrent den godsdienst van de oude Iraniërs, waarover men vroeger alleen door Grieksche en Romeinsche schrijvers iets wist. Sommige bestanddeelen van dezen godsdienst, de vereering van den zonnegod Mithra, van de wolkenslang Ahzi en de elementen, de offerdienst enz. zijn afkomstig uit den tijd, toen de Iraniërs met de Indiërs nog één volk vormden. Als hervormer van dezen primitieven godsdienst trad Zoroaster op (Zie aldaar).

De taal van de Zendavesta werd vroeger Zend genoemd; deze naam berust echter op dezelfde dwaling als de naam Zendavesta zelf. Ook de namen Oud-Bactrisch en Oost-Iransch zijn niet juist, daar het niet vaststaat, dat het werk in Bactrië of op een andere plaats in het O. van Iran is ontstaan. Tegenwoordig noemt men deze taal meest Avestataal, Avestisch of Avesta. Zij is het nauwst verwant met het Oud-Perzisch van de spijkerinscripties. Werken over deze taal schreven o. a. Justi (1864), Spiegel (1867), Eovelacque (2de druk, 1878), De Harlez (2de druk, 1881), Geiger (1879), Bartholomae (1881) en Jackson (1892 en 1893). Het belangrijkste woordenboek is dat van Bartholomae (1904).

Zendeling-genootschap, Nederlandsch, een vereeniging, die ten doel heeft het Christendom, vooral onder de heidenen, te bevorderen, werd den 19den December 1797 te Rotterdam opgericht. Sedert 1827 werkt het uitsluitend in NederlandschIndië. Op Java, Sumatra en Celebes zijn zendelingen gevestigd. TeTomohonindeMinahassaiseenschool gesticht, die inlandsche onderwijzers opleidt voor de scholen van het genootschap. Het orgaan

■ „Maandbericht van het Nederlandsch Zendelinggenootschap" verschijnt maandelijks; om de 3 maanden verschijnt het tijdschrift „Mededeelingen van wege het Xederlandsche Zendelinggenootschap." In 1905 richtte het genootschap tezamen met de Utrechtsche Zendingsvereeniging de Nederlandsche zendingsschool (zie aldaar) op, voor dien tijd werden de zendelingen in zendingshuizen van beide vereenigingen te Rotterdam en te Utrecht opgeleid.

Zending' of Missie noemt men de verkondiging van den Christelijken godsdienst onder de nietChristelijke volken. Bij den Hervormden godsdienst spreekt men van zending, bij den R. Katholieken meer van missie. Zij, die zich uitsluitend daarmee bezighouden, heeten zendelingen (missionarissen)., De geschiedenis van de zending valt samen met de uitbreiding van het Christendom. De eerste zendelingen waren de apostelen van Jezus-, vooral Paulus heeft het Evangelie uitgebreid. Omstreeks het jaar 200 waren er Christelijke gemeenten in de voornaamste deelen van het Romeinsche rijk, I omstreeks 400 was dit in hoofdzaak Christelijk geworden. Omstreeks 600 zijn de Franken, omstreeks 1000 de Germaansche volken, omstreeks 1300 is het grootste deel van Europa voor het Christendom gewonnen. Daarna trad een tijdperk van stilstand in. Na de Hervorming trachtte de Katholieke Kerk in de landen buiten Europa vergoeding te vinden voor het gebied, dat zij in dit werelddeel had verloren; Benedictijnen, Cisterciënsers, Praemostratensers en vooral bedelmonniken trokken door Afrika en Amerika; zij werden echter ver overtroffen door de Jezuieten, die vooral in Zuid-Amerika en China groot succes hadden.

Door de in 1622 ingestelde Propaganda (zie aldaar) van Gregorius XV kreeg de Roomsch-Katholieke zending eenheid en een vaste leiding. Na een tijd van stilstand in de 18de eeuw, ontstond, o. a. door de ontwikkeling van de verkeersmiddelen, in de 19de eeuw een nieuw tijdperk van opbloei; vooral in de nieuw ontdekte binnenlanden van Afrika breidde het Roomsch-Katholicisme zich sterk uit. Ook in de andere werelddeelen had de zending in de vorige eeuw veel succes. In Frankrijk en Italië ontstonden het eerste zendingsvereenigingen van wereldlijke geestelijken; later ontstonden ook leekenvereenigingen, waarvan de leden zich tot een vaste bijdrage en tot een dagelijksch gebed verplichtten. Hiertoe behooren o. a. het Picpusgenootschap te Parijs, de Xaveriusvereeniging, de Leopoldstichting, de op aansporing van Lavigerie tot stand gekomen Antislavernijvereenigingen en een aantal andere.

In de Russische Kerk is sedert 1870 de zending herleefd, wat in de eerste plaats leidde tot een reorganisatie van het groote Russische zendelinggenootschap.

Bij de Protestanten hebben eerst Dissenters, Hernhutters, Pietisten, Methodisten en Baptisten het zendingswerk ter hand genomen, terwijl de Kerk zich eerst later daarmee bemoeide. Frederik IV van Denemarken stichtte voor zijn Oost-Indische bezittingen de zending te Tranquebar (1705); in Groenland was Hans Egede met vrucht werkzaam. De Broedergemeente zond in 1732 haar eerste zendelingen naar St. Thomas en breidde allengs haar werkkring uit. De Puriteinen in Engeland vormden reeds in 1647 een vereeniging tot uitbreiding van het

Sluiten