Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terstond begaf hij zicli daarheen en verscheen den ls,en Januari 1380 voor Venetië met 14 galeien, waarmede hij zich een weg gebaand had door de vijandelijke vloot. Hij werd onmiddellijk aan het hoofd geplaatst van het leger te lande, waarmede hij Chiozza, Piccola en Brondolo heroverde, waarop hij in hetzelfde jaar benoemd werd tot groot-admiraal en naar de vloot terugkeerde. Na den vrede begaf hij zich naar Lombardije en bleef vijf jaar in dienst van hertog Giovanni Galeazzo Visconti, vertrok toen als Venetiaansch gezant naar Parijs en Londen en werd na zijn terugkeer te Venetië advocaat der gemeente en procurator van San Marco. Toen echter in 1403 de oorlog tegen Genua op nieuw uitbrak, werd hij weder aan het hoofd van de vloot geplaatst, versloeg de Genueezen den 7den October van dat jaar nabij Mo-

aon en Deoorioogde daarop den hertog van J 'adua, FrancescoCarrara,te land. Laatstgenoemde sneuvelde in dezen strijd, bij de plundering van zijn paleis bleek het, dat Zeno in vroegeren tijd 400 ducatên van hem ontvangen had. Zeno werd door den Raad van Tienen van zijn waardigheid ontzet en twee jaar in den kerker gevangen gehouden. Na het herkrijgen van zijn vrijheid, vertrok hij eerst naar Jeruzalem om een belofte te vervullen, trad daarop in dienst van Jean de Lusignan, koning van Cyprus, verjoeg de Genueezen van dat eiland en keerde in 1410 terug naar Venetië, waar hij zich wijdde aan de beoefening der wetenschappen en in 1418 overleed.

Zeno, Nicolo en Antonio, broeders van den voorgaande, waren Venetiaansche zeelieden, van wie verhaald wordt, dat zij na een reis naar Vlaanderen omstreeks 1390 eerst de Faröer en vervolgens IJsland en Groenland hebben bezocht. Nicolo overleed in 1396, Antonio in 1406. Het verhaal van hun reis, dat eerst in 1588 te Venetië verscheen, is geblekeH vervalscht te zijn.

Zeno, Jacopo, geboren te Venetië in 1417, studeerde te Padua, werd in 1456 bisschop van lielluno en Feltre, in 1459 bisschop van Padua en overleed aldaar in 1484. Hij schreef: „Repetitiones et disputationes", „Vitae summorum pontificum" en „De ritu, moribus rebusque gestis Caroli Zeni" (1544 en later), ook in het Italiaansch vertaald.

Zeno, Caterino, een Venetiaansch diplomaat, een zoon van Pierre Zeno, bijgenaamd II Dragone, en een kleinzoon van Antonio Zeno, vertrok in 1472 als gezant van de Venetiaansche republiek naar Perzië, bereisde vervolgens een gedeelte van Arabië, bezocht Venetië en vestigde zich daarna in de Levant, waar hij in het laatst van de 15deeeuw overleed. Het werk, waarin hij volgens zijn mededeeling zijn reis in Perzië beschreven heeft, is verloren gegaan.

Zeno, Apostolo, een Italiaansch dichter en prozaschrijver, geboren te Venetië den Uien December 1668,verwierf vooral grooten roem door zijn me* lodrama's en opera's en stichtte in 1710 het: „Giornale dei letterati d'Italia", het eerste kritische tijdschrift in zijn vaderland. Nadat hij in zijn geboorteplaats onderscheiden ondergeschikte betrekkingen had bekleed, woonde hij van 1718 tot 1729 als hofdichter en historiograaf te Weenen, waar hij de gunst genoot van Karei F/. Nadat hij te Venetië was teruggekeerd, wijdde hij zich uitsluitend aan letterkundigen arbeid en overleed den lldcn November 1750. Hij werd na Metastasio voor den besten operadichter van Italië gehouden. Zijn dramatische werken zijn uitgegeven door Gozzi (10 dln; 1744; 12

dln., 1795). Als kritikus, bibliograaf en letterkundige staat hij hooger dan als schrijver. Op dit gebied schreef hij: ,,Dissertazioni istorico-critiche e letterarie agli istorici italiani" (2 dln., 1752—1753), „Compendio del vocabolario della Crusca" (2 dln., 1705; 6 dln., 1741—1745), „Notizie letterarie intorno a Manuzj" (2 dln., 1736), een uitgave van de „Biblioteca dell' eloquenza italiana" (2 dln., 1753), van Fontanini en levensbeschrijvingen van verschillende Italiaansche schrijvers, als Paruta, Davila en Redi. Zijn „Epistole" werden uitgegeven door Monelli (6 dln., 1785).

Zenobia. Septimia, gemalin van Odenathus, koning van Palmyra, werd, nadat haar echtgenoot en haar stiefzoon in 267 vermoord waren, regentes voor haar zoon Athenodor of Vaballathus en breidde als zoodanig haar gezag uit over Syrië en Egypte. Weldra zag keizer Aurelianus zich gedwongen Vaballathus als mederegent te erkennen, terwijl zij zelve den titel ontving van keizerin. Daar Zenobia echter trachtte zich onafhankelijk te maken, trok Aurelianus met een leger tegen haar op en veroverde in 272 Palmyra. De keizerin en haar zoon werden gevangen genomen en Aurelianus als eenige keizer erkend. Vervolgens werd Zenobia naar Rome gebracht, om in den triomftocht van den keizer meegevoerd te worden, maar ontving daarna een landgoed bij Tibur ten geschenke, waar zij haar dagen verder kon doorbrengen.

Zenodotos, een Alexandrijnsch taalkundige uit de 3ae eeuw v. Chr., was geboren te Ephesos, behoorde volgens Suidas tot de leerlingen van Philetas, was onder de regeering van Ptolemaeus Philadelphus (284—246), die hem tot onderwijzer van zijn zoon benoemde, bestuurder van de door dezen vorst gestichte bibliotheek te Alexandrië en bezorgde een

nieuwe uitgave van de gedichten van Homerus uit de aldaar aanwezige handschriften. Hij legde daarmede den grondslag voor het werk van zijn leerling Aristofanes van Byzantium en Aristarchus.

Zenta, een stad in het Hongaarsche comitaat Bacs, ligt op den rechter oever van de Theisz aan drie spoorwegen en telt (1901) 25 588 inwoners. Er is een druk stoombootverkeer, veel landbouw en nijverheid. De plaats is bekend door de overwinning van prins Eugenius op de Turken den ll^en September 1697. Op het slagveld werd een obelisk geplaatst.

Zentner, Georg Friedrich, vrijheer von, een Beiersch staatsman, geboren te Straszenheim in de Pfalz den 17den Augustus 1752, ontvine ziin eerste

onderwijs aan een Jezuïetenschool te Mannheim en bezocht daarna de universiteit te Heidelberg. Om zich te oefenen in de Fransche taal, begaf hij zich naar Metz en bleef er anderhalf jaar. Vervolgens vestigde hij zich te Göttingen, werd daarna geplaatst bij het Rijkskamergerecht te Wetzlar en in 1777 benoemd tot hoogleeraar in het staatsrecht te Heidelberg. Intusschen ontving hij verlof om vóór het aanvaarden van die betrekking een tweejarige reis te volbrengen. Hij begaf zich nu weder naar Göttingen, waar hij gebruik maakte van de Academische bibliotheek, en daarop naar Weenen. In 1779 opende hij zijn lessen, die grooten bijval vonden. Hij werd voorts tot raadsheer benoemd, woonde het Congres te Rastadt bij en werd in 1799 ambtenaar bij het ministerie te München. In zijn nieuwen werkkring beijverde hij zich om het

Sluiten