Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijs te verbeteren" en de volksontwikkeling te bevorderen. Daarna werd hij in 1808 chef van de afdeeling Hooger Onderwijs, in 1817 staatsraad en directeur-generaal van het departement van Binnenlandsche Zaken, in 1819 in den stand der vrijheeren opgenomen, in 1820 minister en in 1823 minister van Justitie. In 1827 vierde hij zijn gouden jubileum als ambtenaar. Wegens gevorderden leeftijd legde hij in 1832 de portefeuille neder en overleed den 21sten October 1835. Vooral heeft hij een duurzaam gedenkteeken gesticht in de Beiersche constitutie, die door hem werd opgesteld.

Zenuwachtigheid noemt men een abnormalen toestand van het zenuwstelsel, die zich door een verhoogde prikkelbaarheid openbaart. Dikwijls gaat deze toestand gepaard met verschijnselen van moeheid en uitputting, in het laatste geval spreekt men van zenuwzwakte of neurasthenie (zie aldaar).

Zenuwen (nervi; zie de plaat) zijn lange, dunne, witte draden, welke zich door het geheele lichaam in menigvuldige vertakkingen of netvormig verspreiden en de centraalorganen van het zenuwstelsel met de verschillende deelen van ons lichaam in betrekking brengen. Men noemt derhalve de zenuwen het peripherisch (aan den omtrek gelegen) gedeelte van het zenuwstelsel, terwijl de hersenen, het ruggemerg en de zenuwknoopen als centraalorganen worden beschouwd. Elke zenuw bestaat uit kleine of groote, evenwijdig aan elkaar gerangschikte zenuwvezels, welke onderling door celweefsel vereenigd en door een gemeenschappelijke, peesachtige zenuwschede omgeven zijn. Deze zenuwvezels zijn al of niet van merg voorzien; de eerste bestaan uit een fijn omhulsel van bindweefsel (Schwansche scheede), dat behalve het hoofdbestanddeel (de cylindervormige as) een mengsel van eiwitstoffen en vetten (de mergscheede) omsluit, welke men bij de van merg verstokene niet aantreft. De plek, waar een zenuw het centraalorgaan verlaat, heet de plaats van uitgang of het begin, en die, tot welke men den draad in het centraalorgaan kan nasporen, den oorsprong of het centraal uiteinde van de zenuw. Dit laatste is steeds gelegen in de grijze zenuwzelfstandigheid en door cellen daarmede verbonden. De zenuwen, die van de hersenen en het ruggemerg uitgaan, verspreiden zich boomvormig, doordien de : hoofdstam zich verdeelt in takken en elke van deze ] weder in twijgen en twijgjes. Hierbij verdeelen zich j alleen de zenuwbundels, maar nooit de primitieve • vezels en er heeft slechts een verwijdering van elkaar < plaats van de vezels, welke in den stam gelegen zijn. 1 De primitieve vezels loopen dus onafgebroken 1 voort van haar oorsprong in het centrum tot aan ( haar uiteinde in den omtrek (peripherie), zoodat dit i peripherisch uiteinde met slechts éen plek in het 1 centraal-orgaan in verband staat. Verdeeling der 1 primitieve vezels heeft eerst plaats bij het periphe- < risch uiteinde. Men heeft ook onderlinge verbin- s dingen der zenuwen, waarbij de vezels der éene ze- c nuw in de scheede van een andere doordringen. Zul- \ ke verbindingen noemt men amstomose, zenuwvlecht i en zenuwknoop. De anastomose is een eenvoudige e verbinding van twee zenuwen, onder een hoek of r boog, — zenuwvlecht een herhaaldelijk vertakte z anastomose van verschillende zenuwen, — en de z zenuwknoop_ (ganglion) een grijsachtig-roode, plat- v ronde verdikking aan éen of meer zenuwen, die o door het ontstaan van cellen tusschen de zenuw- »

XVI

stelsels gevormd wordt. De peripherische uiteinden der zenuwen verdeelen zich weder eenmaal of meermalen d'.chotomisch (in twee takken), terwijl de takjes zich netvormig onderling vereenigen en zeer fijne vezeltjes uitzenden naar de verschillende organen, bijv. naar een spiervezel. De meeste, wellicht alle zenuwen zijn voorzien van eigenaardige eindtoestellen, die bij de gezichtszenuwen uit de staafjes en tepeltjes van het netvlies, bij de reukzenuwen uit cellen, bij de gehoorzenuwen uit de vezels van Corti en in de huid uit de gevoelstepeltjes van Meiszner, de lichaampjes van Pacini en de eindkolven van Krause bestaan.

De zenuwen zijn steeds de geleidsters, maar nooit de opweksters van indrukken, zoodat men ze niet ten onrechte vergeleken heeft met telegraafdraden, die van den omtrek naar de hoofdstations van het centraalorgaan loopen. De indrukken worden van den omtrek naar het centraalorgaan, of omgekeerd, met verbazende snelheid overgebracht. De zenuwen van eerstgemelde soort noemt men sensitieve of gevoelszenuwen en die der laatste motorische of bewegingszenuwen. Ieder prikkel, op een zenuw aangebracht, hij moge van mechanischen, .scheikundigen of physischen aard wezen, verwekt op een gevoelszenuw een gewaarwording van pijn en op een bewegingszenuw een samentrekking der met haar verbondene spieren, maar deze laatste doen nooit gewaarwordingen ontstaan. Bewegingszenuwen verwekken derhalve geen pijn. Het verschil tusschen centrifugale en centripetale richting der geleiding bestaat evenwel slechts in schijn. Elke primitieve vezel geleidt, wanneer zij ergens geprikkeld wordt, dezen prikkel in de beide richtingen. Daar echter de; gevoelszenuwen slechts aan haar centraaluiteinde in verband staan met zenuwelementen, die de vatbaarheid hebben, den prikkel waar te nemen, en de bewegingszenuwen enkel aan het peripherisch uiteinde gemeenschap hebben met voor samentrekking vatbare spieren, zoo zal de physiologische werking van het prikkelen eener zenuwvezel óf gevoel 5f beweging zijn. Aldus veroorzaakt niet de zenuwcel, maar het tweetal organen aan haar uiteinden iet verschil der werking van den prikkel. Een onnisbare voorwaarde voor de goede geleiding in een senuw is een normaal verband der zenuwvezels. Spant men de zenuw van een kikvorsch door een jering gewicht, dan is het geleidend vermogen teritond verminderd. Een sterke drukking, een plaatlelijke beleediging of een doorsnijding der zenuw ïeffen het geleidend vermogen op. De opwekking )epaalt zich steeds tot de geprikkelde zenuwvezel >n gaat niet over op de aangrenzende vezels, en dit verschijnsel draagt den naam van „wet der geïsoeerde geleidirg." In de centraalorganei. daarentegen lebben dikwijls overbrengingen van prikkels op anlere zenuwvezels plaats, waarschijnlijk door tuschenkomst der zenuwknoopcellen. Daaruit worden lan ook de reflexieverschijnselen verklaard. De oortleiding van den prikkel in de zenuw geschiedt a vergelijking van die van het licht, de electriciteit nz. zeer langzaam en wel met een snelheid van uim 20 M. in de seconde. De snelheid is in dezelfde enuw verschillend naar gelang van de temperatuur; ij wordt door koude aanmerkelijk vertraagd of ook 'el geheel opgeheven. Op een door den wil verorzaakten prikkel volgt een opwekking der beweingszenuwen en op deze een verkorting der spier-

28

Sluiten