Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rende neuralgieën, door malaria ontstaan, wordt met goed gevolg chinine voorgeschreven, en tegen zenuwpijnen, door koper-, kwik- en loodvergiftiging 'ontstaan, gebruikt men zwavelbaden en inwendig zwavelpraeparaten. De vatbaarheid voor zenuwpijnen bestrijdt men door een goede voeding en door het gebruik van ijzer. Kan men de oorzaken op die wijze niet wegnemen, dan moet men de prikkelbaarheid der aangedane zenuw verdooven, en, als ook dit niet baat, haar uitrekken of doorsnijden of een gedeelte der zenuw wegnemen, zoodat zij de pijnlijke aandoening niet naar het gewaarwordingsvermogen kan overbrengen. Men vernietigt de prikkelbaarheid der zieke zenuw door de onderhuidsche inspuiting eener morphiumoplossing. In het algemeen moet men zijn toevlucht nemen tot narcotische en anaesthetische middelen. Dikwijls verdwijnen neuralgieën, wanneer de lijders zich naar een droog en gematigd warm klimaat begeven. Eindelijk is het van het hoogste belang, aan dezen een goede voeding te verschaffen en bij bloedarmoede de bloedvorming door het toedienen van ijzer- en kinapraeparaten te ondersteunen.

^Zenuwkoortsen en zenuwziekten zijn verouderde benamingen van zoodanige ongesteldheden, bij welke vooral nerveuse hersenverschijnselen op den voorgrond treden. Zulke verschijnselen komen intusschen voor bij alle hevige koortsen, vooral bij typhus, pokken, scharlakenkoorts, kraamvrouwenkoorts.

Zenuwzwakheid. Zie Neurasthenie. V Zeoliet is de naam van een groep meestal goed gekristalliseerde mineralen, welke bestaan uit waterhoudende silicaten van aluminium en van een één- of tweewaardig licht metaal, met name calcium en natrium. Zij zijn meestal kleurloos en in verschen toestand doorzichtig of doorschijnend, met een glas- of parelmoerglans. Worden zij door de blaaspijp verhit, dan zwellen zij op en vormen blazen of bellen en smelten daarna onder schuimvorming, een reactie, waaraan zij hun naam ontleenen. Zuren ontleden hen onder afscheiding van slijmig of vlokkig kiezelzuur. Hun soortelijk gewicht schommelt tusschen 1,9 en 2,5, hun hardheid tusschen 3,5 en 5. Het zijn ontledingsprodukten van veldspaat of van op veldspaat gelijkende delfstoffen. Bij verweering ontleden zij meestal in klei, zoodat zij in de huishouding der natuur als leveranciers van plantenvoedsel een rol spelen, welke met die der veldspaten overeenkomt. Zij komen gedeeltelijk in kleine, zeer fraai gevormde kristallen, gedeeltelijk in straalvormige en bladerige aggregaten voor in de holten van vulkanische veldspaatgesteenten (basalt, trachiet enz.) en andere silicaatgesteenten (syeniet, graniet enz). Ook in ertsgangen (te Andreasberg enz.) en in ertsbeddingen (Pajsberg enz.) alsmede in den vorm van nieuwe vormingen in den mortel van oude warme bronnen worden zij aangetroffen. Tot de voornaamste zeolieten behooren: analciem, apophylliet, natroliet, mesoliet en liarmotoom, waarvoor men de afzonderlijke artikelen raadplege. Kunstmatig zeoliet bereidt men door aluinaarde of veldspaat met soda of potasch samen te smelten en met water de smeltmassa uit te loogen, waarbij het silicaat, onder binding van water, overgaat in een zeoliet.

De zeolieten zijn in staat om het metaaloxied, dat zij bevatten, tegen een ander te verwisselen. Deze

omzetting heeft alleen plaats overeenkomstig de wet der massawerking; het metaal, dat in overmaat voorhanden is, verdringt de geringere hoeveelheid, welke zich in het zeoliet bevindt. Daarvan maakt men in de techniek gebruik voor de reiniging van water volgens het permutietprocédé van Gans. Zeolieten (permuntieten) met een hoog gehalte aan verplaatsbare basen, vooral natriumzeoliet, worden kunstmatig bereid en daarna het water door met dit permutiet gevulde filters geleid. De kalk- en magnesiumzouten van het water worden door natron vervangen en dit van hard in zacht water veranderd. Voor ketelvoeding, wassclierij, brouwerij, papierfabricage enz. is dit procédé van de grootste beteekenis. Ook ijzer, mangaan en goud kunnen aldus uit het water verwijderd worden en in melasse het kali door kalk of natron vervangen worden, wat gunstig op den smaak werkt.

Ook in de natuur spelen de zeolieten een belangrijke rol. De wortels der planten scheiden natron-, kalk- en magnesia-zouten, die zij opnemen, maar niet vastleggen kunnen, weder uit. Is nu bijv. kalizeoliet in den bodem aanwezig, dan worden de uitgescheiden zouten in kalizouten omgezet, welke de plant begeerig opneemt. Aldus verarmt echter de bodem aan kali. Een kalibemesting echter zou niet baten, omdat zij gemakkelijk zou worden uitgespoeld, wanneer niet het kali, dat nu in overmaat aanwezig is, de natron-, kalk- en magnesiazeolieten in kalizeolieten omzette. In den bodem treden dus de zeolieten als regulatoren op van het plantenleven. In de rustperiode verzamelen zij de aangevoerde of vrijkomende plantenvoedingsstoffen om haar in de daaropvolgende groeiperiode weder af te staan.

Zepernick, Karl Friedrich, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren te Halle in 1751, ontving zijn opleiding aan het paedagogium en vervolgens aan de universiteit aldaar, vestigde er zich in 1774 als privaatdocent, werd er in 1777 assessor in den schepenstoel, in 1785 zoutgraaf en burgemeester, in 1808 voorzitter van het gerechtshof en na het bezetten van Halle door de Pruisen „Oberlandesgerichtsrath" te Halberstadt, welke betrekking hij echter van de hand wees, om te Halle als senior van den schepenstoel werkzaam te blijven. Hij overleed in 1839 op zijn landgoed Stichelsdorf bij Halle. Van zijne geschriften noemen wij: „Sammlungauserlesener Abhandlungen aus dem Lehnrecht" (4 dln., 1781—1783), „Delectus scriptorum historiam explicantium" (1783), „Miscellaneum zum Lehnrecht" (4 dln., 1787—1790) en „Die Kapittels und Sedisvacanz-Münzen und Medaillen der Deutschen Erz-, Hoch- und unmittelbaren Reichsstifter" (1822) met „Erganzungen" (1825) en „Nachtrage" (1834).

Zephanja, in de Septuaginta Sophonias, een der Twaalf Kleine Profeten, trad in Juda onder koning Josias (625 v. Chr.) op. Zijn boek bevat strafpredicatiën tegen de afgoderij.

Zepharovlch. VicUrr, ridder von, een Oostenrijksch delfstofkundige, geboren te Weenen den 13den April 1830, studeerde aldaar en aan de mijnacademie te Schemnitz, werd in 1852 tot geoloog aan de rijks geologische inrichting te Weenen benoemd en ontving in 1857 een benoeming tot hoogleeraar in de mineralogie te Praag, waar hij in 1880 een mineralogisch instituut oprichtte. Hij overleed den

Sluiten